Waterscheiding in de Nederlandse politiek?

Geplaatst 1 mei 2012 door Johan van Veen
Categorieën: maatschappij, politiek

Tags: , , , , , , , , , , , , , ,

Historisch, uniek – dat waren slechts twee van de kwalificaties die gebruikt werden om de betekenis van het financiële akkoord tussen de twee regeringspartijen en de drie oppositiepartijen D66, GroenLinks en de ChristenUnie in de laatste week van april te typeren. Uniek en historisch was het zeker – zoiets was nog niet eerder vertoond. In de pers verschenen beschouwingen waarin het woord ‘historisch’ ook in andere zin gebruikt werd: de manier waarop het akkoord tot stand gekomen was werd gezien als een omslag in de politieke ontwikkeling van Nederland. Trouw-columnist Hans Goslinga sprak van een “herovering van het midden” die hij als “Haagse Lente” typeerde (28 april). Sommige analisten zien al een nieuwe coalitie opdoemen die na de verkiezingen aan de slag kan. Daarmee lopen ze wel erg hard van stapel. Een beetje nuchterheid is hier op haar plaats.

Het akkoord is allereerst het resultaat van politieke omstandigheden waarop het kabinet en de twee regeringspartijen geen greep hadden. De val van het kabinet hadden VVD en CDA afhankelijk gemaakt van de medewerking van oppositiepartijen. Alleen op die manier kon worden voldaan aan de eisen van het kabinet aan zichzelf en van de Europese Unie aan Nederland. De urgentie van een uitweg uit de financiële problemen leidde ertoe dat zelfs de VVD bereid was elementen in het akkoord te slikken die strijdig zijn met haar opvattingen. Een tweede belangrijke factor is het feit dat het akkoord een beperkte reikwijdte heeft: het gaat alleen om financieel-economische aangelegenheden. Juist op dat vlak kunnen D66, GroenLinks en de ChristenUnie elkaar in grote mate vinden. De eensgezindheid die daarvan het gevolg was, ontnam de regeringspartijen en het demissionaire kabinet de mogelijkheid hen tegen elkaar uit te spelen. Deze konden daardoor een pakket met wensen op tafel leggen dat het kabinet alleen op straffe van mislukking en dus van een nationale en Europese blamage kon afwijzen.

Dit geeft ook direct aan waarom er geen enkele reden is achter het akkoord de contouren van een nieuwe coalitie te zien opdoemen. Wanneer wordt onderhandeld over een regeerakkoord komt een breed scala aan onderwerpen aan de orde. Vooral over niet-materiële kwesties bestaan er fundamentele verschillen van inzicht tussen enerzijds D66 en GroenLinks en anderzijds de ChristenUnie en deels ook het CDA. En de drie oppositiepartijen staan op hun beurt weer diametraal tegenover de VVD ten aanzien van zaken als immigratie en integratie of justitie en veiligheid. De vraag werd opgeworpen waarom deze variant na de vorige verkiezingen niet is onderzocht. Die is wel interessant, maar niet relevant: de kans is klein dat zo’n onderzoek een stabiel kabinet zou hebben opgeleverd. Ten overvloede heeft de politiek leider van GroenLinks, Jolande Sap, nog eens onderstreept dat haar voorkeur uitgaat naar een kabinet met de PvdA.

Dat wil niet zeggen dat de gebeurtenissen van de afgelopen week geen verderstrekkende invloed op het politieke landschap van de komende jaren zouden kunnen hebben. Dat betreft dan vooral de verhouding tussen ‘links’ en ‘rechts’. Sinds de Tweede Wereldoorlog is Nederland meestal bestuurd door een centrum-rechtse coalitie. Daarin speelden CDA (of haar voorgangers) en de VVD de hoofdrol. Wanneer zij te weinig zetels kregen voor een parlementaire meerderheid mocht D66 aanschuiven. Omdat de politieke posities van CDA en VVD niet fundamenteel verschilden, waren ze min of meer elkaars natuurlijke bomdgenoten. Beide dekten het politieke spectrum van het centrum tot de rechterzijde af. Dat veranderde in het begin van deze eeuw. Het populisme kwam op en de flanken op ‘links’ en ‘rechts’ werden versterkt ten koste van het midden. Om zich tegen de opkomst van het ‘rechtse’ populisme – in casu de PVV – te wapenen, bewoog vooral de VVD zich naar rechts. Het CDA volgde haar, eveneens als antwoord op de aantrekkingskracht van de PVV, vooral in de zuidelijke provincies, maar ook om te voorkomen dat ‘rechtse’ CDA-kiezers naar de VVD zouden overlopen. Het leidde tot winst voor de VVD, maar tot verlies van het CDA, terwijl de verrechtsing van deze twee partijen de opkomst van de PVV niet verhinderde. Door de versnippering van het ‘rechtse’ kamp kwamen de twee partijen niet aan een meerderheid. Het gevolg was dat ze voor een coalitie waren aangewezen op de PVV, aangezien ze voor andere partijen te ‘rechts’ waren geworden. Op deze wijze kwamen VVD en CDA in de houdgreep van de partij die ze op een afstand hadden willen houden.

Terwijl voor het bestrijden van de financiële crisis een zo breed mogelijk draagvlak gewenst was, kozen Mark Rutte en Maxime Verhagen voor een kabinet met gedoogsteun van de PVV. Dat werd door aanhangers en critici als onversneden ‘rechts’ getypeerd. Die typering klopte echter maar ten dele. Ze ging op voor onderwerpen als immigratie en integratie, veiligheid en justitie, de visie op subsidies, op kunst en cultuur en natuur en milieu. Maar op sociaal-economisch gebied liet het programma van de PVV een mengeling van ‘rechtse’ en ‘linkse’ elementen zien. De laastgenoemde hadden geen directe invloed op het kabinetsbeleid, maar zorgden er wel voor dat verschillende door VVD en CDA vurig gewenste hervormingen niet van de grond kwamen. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat in Nederland geen meerderheid bestaat voor een puur ‘rechts’ beleid.

Inmiddels heeft juist deze tweeslachtigheid in het PVV-programma ervoor gezorgd dat de ‘rechtse’ coalitie roemloos ten onder ging. En dat zou verderstrekkende gevolgen kunnen hebben dan de val van ‘zomaar’ een kabinet. VVD en CDA hebben geprobeerd te regeren met de PVV, maar dat experiment is mislukt. Het is dan ook niet te verwachten dat dit na de verkiezingen wordt herhaald. Daardoor heeft vooral de VVD een probleem. Ze is de laatste jaren zover naar ‘rechts’ opgeschoven dat ze voor de partijen in het centrum weinig aantrekkelijk is. Anderzijds kan ze geen vèrgaande concessies doen zonder zich ongeloofwaardig te maken tegenover haar kiezers. Het is niet uit te sluiten dat de PVV bij de komende verkiezingen een deel van haar aanhang kwijtraakt, maar de afhakers zullen lang niet allemaal naar de VVD overlopen. Een deel zal waarschijnlijk bij de SP terechtkomen. Een eventueel verval van de PVV levert dus geen stabiele ‘rechtse’ meerderheid op, temeer niet omdat niet te verwachten valt dat het CDA tot haar vroegere sterkte kan terugkeren. Bovendien is de rechtervleugel binnen het CDA, die de gedoogconstructie met de PVV steunde, door het debacle verzwakt, terwijl de grote minderheid die deze samenwerking afwees, zich bevestigd weet in haar afwijzing. De ‘herbronning’ van het CDA maakt haar een minder natuurlijke bondgenoot van een naar ‘rechts’ opgeschoven VVD; ze zal eerder een samenwerking in het centrum zoeken.

Premier Rutte presenteerde het programma van deze coalitie aanvankelijk als iets waarbij ‘rechts’ Nederland zijn vingers zou kunnen aflikken. Hij had kunnen en moeten weten dat populistische partijen – en zeker partijen die geheel geconcentreerd zijn rond één persoon – per definitie onbetrouwbare partners zijn, vooral in kwade dagen. Als gevolg daarvan heeft ‘rechts’ Nederland maar weinig reden de vingers af te likken. De verkiezingen zouden er inderdaad toe kunnen leiden dat het centrum van de macht weer in het midden komt te liggen. Dat is voor ‘rechts’ Nederland niet aangenaam: in plaats van de vingers af te likken moet het dan op een houtje bijten. Maar voor het aanzien van de politiek en de maatschappelijke vrede zou het een zegen zijn.

Tolerantie op voorwaarden

Geplaatst 11 april 2012 door Johan van Veen
Categorieën: maatschappij, politiek, religie

Tags: , , , , , , , , , , ,

Nederland gold altijd als een voorbeeld van tolerantie. Zaken die elders op veel weerstand stuitten of zelfs de overheid ertoe brachten in actie te komen, werden in Nederland getolereerd, hetzij openlijk hetzij oogluikend. Gedogen was toen een woord dat stond voor openheid ten aanzien van opvattingen en gedragingen door minderheden, tegenwoordig voor de opstelling van een politieke beweging die weinig opheeft met tolerantie.

En daarmee zijn we gelijk bij de aanleiding voor dit artikel. De laatste tijd zijn er in de pers diverse artikelen verschenen waarin de auteurs zich afvragen wat er met dat eens zo tolerante Nederland gebeurd is. In Trouw van 22 maart j.l. staat een interview met de joodse rabbijn Lody van de Kamp, waarin hij verklaart “verdoofd” te zijn: zijn beeld van Nederland is door het politieke en maatschappelijke debat over de rituele slacht fundamenteel veranderd. Hij constateert een verminderde tolerantie jegens gelovigen. Hij betrekt dat niet alleen op zijn eigen godsdienst, maar ook op islam en christendom. Als voorbeelden van verminderde tolerantie noemt hij de discussies over de hoofddoek, de minaretten en het dragen van een kruisje op het werk.

Maar niet alleen vertegenwoordigers van een bepaalde godsdienstige richting zoals Van de Kamp wijzen op het verdwijnen van het klimaat van tolerantie. In Trouw van 31 januari j.l. schreef redacteur Lex Oomkes een column onder de veelzeggende titel “De kunst verleerd om minderheden te aanvaarden”. “Nederland heeft politiek en maatschappelijk de verzuiling achter zich gelaten. Maar daarmee zijn ook waardevolle zaken met het badwater weggegooid. Daar waar de zuilendemocratie een instrument was om tot een vergelijk te komen tussen minderheden, wordt de huidige democratie meer en meer gedomineerd door een libertijnse communis opinio, waarbij democratie gelijk komt te staan met de eenvoudige wil van de meerderheid.”

De tolerantie wordt niet officieel afgezworen. Integendeel, juist de vertegenwoordigers van de meerderheid beroepen zich erop dat zij opkomen voor tolerantie. Ze nemen maatregelen die minderheden als een beknotting van hun vrijheid zien. Maar de meerderheid ziet die als een strijd tegen de intolerantie die ze als kenmerkend voor die minderheden beschouwen. Sommigen laten er geen twijfel over bestaan dat ze vinden dat de overheid minderheden desnoods moet dwingen tot vrijheden waarvan die zelf geen gebruik wensen te maken. De SGP zou dan gedwongen moeten worden vrouwelijke leden dezelfde rechten te geven als mannelijke, ook wanneer die SGP-vrouwen daar zelf geen prijs op stellen.

De observatie van Oomkes is terzake: de veel gesmade zuilen waren misschien toch zo slecht nog niet en boden de mogelijkheid aan minderheden op een relatief vreedzame manier in één land te leven. Wrijvingen waren er wel, maar die liepen niet uit de hand. Pacificatie is de term die gebruikt wordt voor het streven van de vertegenwoordigers van de zuilen om de angel uit potentieel conflictueuze situaties te halen.

Nu is er wel het één en ander veranderd. Er werd toentertijd vooral naast en niet zozeer met elkaar geleefd. De bevolkingsgroepen die tot een bepaalde zuil behoorden, hadden vooral contacten binnen de zuil, in de kerk, in verenigingen en stichtingen, in maatschappelijke organisaties en politieke partijen. De samenleving was zodanig dat dit ook in hoge mate mogelijk was. Maar de moderne communicatiemogelijkheden hebben de schuttingen definitief neergehaald. Dat betekent natuurlijk wel dat de opvattingen en gedragingen van ‘anderen’ meer in het oog vallen. Daardoor is de kans groot dat mensen zich aan elkaar gaan ergeren.

Daarmee komen we bij twee verschijnselen die kenmerkend zijn voor onze tijd en bijgedragen hebben tot de ondermijning van de tolerantie. Ondanks alle verschillen tussen de zuilen waren er wel zaken waarover iedereen – van links tot rechts en van strenggelovig tot volstrekt ongelovig – het min of meer eens waren. Bepaalde dingen deed je niet en andere dingen deed je wel. Dat was onderdeel van de beschaving. Maar die basis van eensgezindheid is grotendeels verdwenen. Er zijn nauwelijks nog onderwerpen te verzinnen waarover eensgezindheid bestaat, door alle politieke en levensbeschouwelijke geledingen heen. Er is geen dominante beschaving meer. Zaken die vroeger vanzelfsprekend waren, staan nu ter discussie.

Het tweede verschijnsel is het feit dat mensen zich tegenwoordig al gauw over iets of iemand ergeren. Dat heeft alles te maken met het toenemende individualisme. Mensen zijn in toenemende mate geneigd zichzelf in het middelpunt te stellen. De dominante maatschappelijke opvatting is dat je assertief moet zijn en voor jezelf moet opkomen. Dan komt de tolerantie al gauw onder druk te staan. Want opvattingen kunnen in strijd zijn met wat je zelf voor juist houdt en worden ervaren als een negatief oordeel over je eigen opvattingen. Nog problematischer zijn gedragingen van anderen die in toenemende mate als storend worden ervaren. Mensen krijgen ruzie met hun buren over zaken, die relatief onbelangrijk lijken. Lawaai van een schoolplein of van een kinderopvang leidt tot protesten. En wanneer de klok van een kerk luidt op een moment dat de meeste bewoners in de omgeving nog op één oor liggen, leidt dat tot een rechterlijk verbod op het luiden van de klok. En zo kunnen we nog een hele tijd doorgaan.

Het klimaat van tolerantie in Nederland is sterk aan erosie onderhevig. Dat geldt wel in het bijzonder voor de tolerantie ten aanzien van godsdienstige opvattingen en gebruiken. Desondanks houden sommigen vol dat religie nog steeds een speciale plaats in de maatschappij inneemt. Daarbij wordt o.a. gewezen op het nog steeds geldende verbod op godslastering. Juist vanuit de seculiere partijen worden dan ook hardnekkige pogingen ondernomen dit verbod uit de wet te schrappen. Ook kan men nogal eens de suggestie horen dat de gewetensbezwaren van gelovigen zwaarder wegen dan die van niet-gelovigen. Daarbij wordt dan speciaal verwezen naar de discussie over de bijzondere ambtenaren van de burgerlijke stand die er bezwaar tegen hebben een homohuwelijk te sluiten. Waarom zou een geloofsovertuiging zwaarder moeten wegen dan een andere overtuiging? Je kunt het regelmatig lezen: het geloof is ook maar een mening.

Die opvatting is veelzeggend omdat die laat zien waardoor de tolerantie ten aanzien van religie is afgenomen. In vroeger tijden hadden veel mensen nog wel een bepaalde relatie met religie omdat ze zelf een godsdienstige opvoeding hadden gehad dan wel familie of kennissen hadden die lid van een kerk waren. Ook al wezen ze religie zelf af, ze beseften in elk geval wel hoe belangrijk godsdienst voor zijn aanhangers was. Niemand zou op het idee komen religie als ‘zo maar een mening’ te typeren. Dat is grondig veranderd. Velen hebben via hun opvoeding niets over religie meegekregen en zijn er nauwelijks mee in aanraking gekomen. Daarmee is de gevoeligheid voor wat godsdienst voor mensen betekent ook verdwenen. De al eerder genoemde rabbijn Van de Kamp wijst niet alleen op het feit dat seculiere politieke partijen de rituele slacht willen verbieden, hij heeft zich misschien nog meer gestoord aan het gemak waarmee over de bezwaren van joden en moslims wordt heengewalst. Elk begrip voor het effect van zo’n verbod op de aanhangers van die religies lijkt afwezig te zijn.

Eén van de partijen die de laatste jaren een steeds sterker antireligieus karakter heeft gekregen is GroenLinks. Dat is opvallend aangezien deze partij is ontstaan uit vier partijen waarin christenen vanuit hun overtuiging actief waren of die zich zelfs expliciet als ‘christelijk’ profileerden. Dat laatste geldt voor de Evangelische Volkspartij. Recent is de partij daarover kritisch bevraagd door Erica Meijers, de hoofdredacteur van De Helling, het wetenschappelijk tijdschrift van GroenLinks. Meijers, een gepromoveerd theoloog, heeft er herhaaldelijk op gewezen dat GroenLinks op z’n minst eenzijdige en soms rondweg onjuiste opvattingen over religie heeft. Ze heeft zelfs gewaarschuwd dat haar partij zich soms schuldig maakt aan dezelfde intolerantie die het godsdiensten verwijt.

Veel weerklank lijken haar betogen vooralsnog niet te vinden. Het zal interessant zijn te zien of er op termijn een omslag in het denken binnen deze partij zal plaatsvinden. Een minstens zo interessante vraag is of wat Meijers er tegenover zet voor aanhangers van een godsdienst perspectief biedt. Een heldere visie biedt ze eigenlijk niet. Ze wijst er terecht op dat seculieren geneigd zijn godsdienst als een eenduidig verschijnsel te beschouwen en geen oog te hebben voor de grote verschillen die binnen alle godsdiensten aanwijsbaar zijn. Ze wijst op de ‘progressieve’ krachten die binnen verschillende religies bestaan (hebben), die juist vanuit hun religieuze overtuiging ertoe komen (kwamen) tegen misstanden ten strijde te trekken. Ze maakt ook onderscheid tussen orthodoxie en fundamentalisme. Het verschil ziet ze in de mate waarin bepaalde opvattingen als ‘enige waarheid’ worden beschouwd. Ze verwijt haar partij elke vorm van religie door de bril van het fundamentalisme te bekijken. Vooral op dit punt munt haar betoog niet uit door helderheid. Dat is haar niet echt aan te rekenen. Want ook onder degenen die zich als fundamentalistisch dan wel orthodox beschouwen bestaat lang niet altijd duidelijkheid over de verschillen. Veel fundamentalisten willen niet als zodanig door het leven gaan, vooral niet vanwege het negatieve imago dat daarmee verbonden is. Dat is ook één van de redenen dat orthodoxen protesteren wanneer ze tot het fundamentalisme worden gerekend.

Het is niet helemaal duidelijk welke consequenties Meijers uit het onderscheid tussen orthodoxie en fundamentalisme trekt. Ze is van mening dat de orthodoxie op geen enkele manier onverenigbaar is met de democratie. Ten aanzien van het fundamentalisme ligt dat kennelijk anders, maar ze werkt dat niet duidelijk uit. In wat ze daarover schrijft ligt op z’n minst de suggestie besloten dat orthodoxe godsdienstige opvattingen blijkbaar getolereerd moeten worden, maar dat dit voor fundamentalistische opvattingen niet geldt. Dat is een nogal problematische visie. Want hoezeer orthodoxie en fundamentalisme theologisch van elkaar mogen verschillen, in de praktische uitwerking – bijvoorbeeld op het gebied van de personele ethiek – liggen ze vaak toch dicht bij elkaar. In zaken rond huwelijk en gezin bijvoorbeeld zullen hun opvattingen vaak niet erg verschillen. En juist op dat vlak is de weerstand van seculiere kant groot.

Belangrijker is de vraag wie eigenlijk uitmaakt welke overtuigingen wel en welke niet getolereerd kunnen of mogen worden. In de praktijk is het in feite de meerderheid die dat bepaalt. Die is nog wel geneigd opvattingen te tolereren waaraan ze zich niet al te zeer stoort. Iets vergelijkbaars doet zich voor ten aanzien van de argumentatie van een bepaald standpunt. Nogal wat seculieren vinden dat een standpunt eigenlijk niet vanuit een godsdienstige overtuiging mag worden beargumenteerd. Wie dat doet, plaatst zich buiten de discussie. Maar wanneer die overtuiging leidt tot een opvatting die de seculieren welgevallig is, wil men wellicht een oogje toeknijpen.

Het gemeenschappelijke is hier dat aanhangers van een godsdienst alleen kunnen rekenen op tolerantie wanneer ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Ze mogen als vertegenwoordigers van een minderheid wel aan discussies deelnemen maar dan alleen volgens de spelregels die door de meerderheid worden bepaald. Dat staat echter haaks op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting, die in de grondwet zijn verankerd.

Vanuit die grondwettelijk gegarandeerde vrijheden moet ook het concept van tolerantie als zodanig ter discussie gesteld worden. Dat is immers gebaseerd op de dominante positie van een bepaalde groep die – eventueel onder voorwaarden – bereid is aan minderheden de vrijheid te gunnen hun opvattingen uit te dragen. Maar vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst hebben de status van rechten: die worden niet door de ene groep aan de andere groep toegekend, maar die kunnen door elke groep binnen de samenleving worden opgeëist.

Aanhangers van een godsdienst zouden niet mee moeten gaan in het denken over de grenzen van de tolerantie. Zij moeten het concept zelf verwerpen. Ze moeten de vrijheden, die de grondwet hun geeft, nemen. Het is de grondwettelijke taak van de overheid ervoor zorg te dragen dat deze vrijheden niet worden ingeperkt.

Is Rutte een SGP’er?

Geplaatst 13 maart 2012 door Johan van Veen
Categorieën: maatschappij, politiek

Tags: , , , , , , , , ,

Leden van een kabinet bezoeken meestal geen congressen van andere partijen dan hun eigen, zelfs niet als die partijen deel uitmaken van de coalitie. En als ze al een bijeenkomst van een andere partij bezoeken is dat meestal om met een lid van die partij in discussie te gaan. Dat gebeurde dan ook op het congres van de jongerenorganisatie van de SGP op zaterdag 10 maart j.l., toen D66-kamerlid Schouw in debat ging met zijn SGP-collega Dijkgraaf. Zoiets is niet ongebruikelijk en leidt gewoonlijk niet tot een reportage in het televisiejournaal. Wat de aandacht trok was het bezoek van minister-president Rutte. Dat hij kwam was opmerkelijk, maar misschien wel opmerkelijker was dat de SGP-jongeren hem juichend binnenhaalden. De SGP staat in veel opzichten aan de andere kant van het politieke spectrum. En het is nog maar een paar jaar geleden dat de uitspraak van de Hoge Raad dat het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP in strijd is met de grondwet ook door vertegenwoordigers van de VVD met applaus werd begroet. Wat is hier aan de hand?

Dat de positie van het kabinet minder comfortabel is dan de minister-president soms wil toegeven is inmiddels wel duidelijk en werd door zijn bezoek onderstreept. Zonder de steun van de SGP in de Eerste Kamer kan zijn kabinet niet overleven. Dus is er alle reden de partij wat te paaien. Dan doet zo’n bezoek het wel goed. Wie had ooit kunnen denken dat de SGP ook eens aan de macht zou kunnen ruiken?

De uitspraak van Rutte dat je met de SGP goed kunt samenwerken omdat “afspraak afspraak is”, leidde tot kamervragen van D66-fractieleider Pechtold. De antwoorden waren voorspelbaar, maar Pechtold wilde dan ook niet zozeer iets weten dan wel iets duidelijk maken, namelijk dat de liberale – lees: seculiere – waarden bij zijn partij in betere handen zijn dan bij de VVD.

Opvallender dan de genoemde uitspraak van Rutte waren twee andere opmerkingen.

Daar was in de eerste plaats zijn ‘bekentenis’ dat hij Nederlands Hervormd is opgevoed en zelf ook gelovig is. Dat is daarom opvallend omdat hij daar normaal gesproken altijd over zwijgt en er zeker in de politiek niet op aangesproken wil worden. De vraag is dus gewettigd wat hem ertoe kan hebben bewogen zich daarover op het jongerencongres van de SGP uit te laten. Kennelijk ging hij ervan uit dat bij de enthousiaste ontvangst die hem ten deel gevallen was niemand hem zou vragen wat dat geloof dan voor de politiek betekent. In de euforie die zijn aanwezigheid kennelijk veroorzaakte zag iedereen over het hoofd – of bedekte het met de mantel van de liefde – dat geloof voor Rutte heel iets anders is dan voor de achterban van de SGP.

Even opvallend was Ruttes uitspraak dat de VVD en de SGP het voor 90 procent eens zijn. Daarbij noemde hij met name het streven naar een kleine overheid en het onderwerp immigratie. Daar heeft hij waarschijnlijk gelijk in. En dat roept vragen op. Terecht vroeg oud-ChristenUnie-voorman Rouvoet zich in een tweet af of de SGP zich niet achter de oren zou moeten krabben bij deze uitspraak. Is het voor een christelijke partij iets om trots op te zijn wanneer wordt vastgesteld dat ze het voor 90 procent eens is met een egoïstisch-rechtse partij die bovendien geen problemen heeft met een kabinet dat afhankelijk is van de steun van rancuneus-rechts?

Het geloof van premier Rutte staat geheel los van zijn politieke opvattingen. Hoe is dat eigenlijk met de SGP? Ze profileert zich als christelijke partij, maar welke reikwijdte heeft dat christelijke karakter dan? Het lijkt er soms op of dat zich beperkt tot de bekende zaken die met christelijke politiek geassocieerd worden, zoals abortus en euthanasie, homohuwelijk en winkelen op zondag. Die worden als ‘ethische zaken’ aangeduid. Dat is terecht, maar ethiek blijft daartoe niet beperkt. Ethiek gaat immers over ‘verantwoord handelen’ en dat is overal vereist, niet alleen ten aanzien van de zoëven genoemde onderwerpen, maar evenzeer in het sociaal-economisch beleid en ten aanzien van immigratie en integratie.

Een kleine overheid is in het voordeel van wie in goede doen is, maar pakt voor hen die het minder hebben in de regel minder gunstig uit. Het is uitstekend wanneer de SGP-jongeren er bij het kabinet op aandringen zich in de buitenlandse politiek in te zetten voor godsdienstvrijheid. Maar die oproep wordt wrang wanneer men tegelijkertijd in Nederland het met de godsdienstvrijheid van anderen dan zichzelf minder nauw neemt en aan moslims de vrijheden wil ontzeggen die men met kracht voor zichzelf opeist. En, om niet meer te noemen, bij de verdediging van de belangen van boeren en vissers – ruim in de eigen achterban vertegenwoordigd – lijkt het belang van natuur en milieu het te moeten afleggen.

In veel opzichten lijken SGP’ers op Amerikaanse christelijke fundamentalisten. Ze winden zich op over een liberale abortuswetgeving, maken zich druk over seculiere opvattingen over homosexualiteit, drugs en euthanasie, maar geven niet thuis als het aankomt op een sociaal verantwoord financieel-economisch beleid, toegang tot een goede gezondheidszorg voor iedereen, bestrijding van armoede en achterstand en een goede zorg voor het milieu. Op die punten zijn ze eigenlijk gewoon liberaal.

De vraag boven deze weblog is dus eigenlijk niet juist. Nee, Rutte is geen SGP’er, zelfs geen verkapte. De vraag is eerder: zijn SGP’ers geen verkapte liberalen?

Staatkundige Gedoog Partij

Geplaatst 9 november 2011 door Johan van Veen
Categorieën: maatschappij, politiek

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Vrijwel niemand kon zich voorstellen dat de Staatkundig Gereformeerde Partij ooit een cruciale rol in de Nederlandse politiek zou spelen. Weliswaar werd de SGP, samen met de Christenunie, bij de kabinetsformatie in 2003 voor een gesprek over een eventuele deelname aan een coalitie met het CDA en de VVD uitgenodigd, maar hoe serieus die gesprekken waren is voor discussie vatbaar. De SGP stond en staat ook niet te trappelen, want ze realiseert zich heel goed hoe weinig invloed ze in een coalitie zou hebben en hoeveel water ze bij haar eigen wijn zou moeten doen. De deelname van de Christenunie aan het laatste kabinet-Balkenende heeft dat nog eens te meer duidelijk gemaakt. De SGP leverde dan ook regelmatig stevige kritiek op de rol van de Christenunie in dat kabinet.

Maar de wonderen zijn de wereld nog niet uit. Inmiddels zit al meer dan een jaar een kabinet in het zadel, waaraan de SGP weliswaar niet deelneemt, maar op welks beleid ze toch de nodige invloed heeft. Dat is de laatste weken nog eens duidelijk geworden. Doordat Geert Wilders zich door middel van een tweet uitsprak tegen het gedogen van ‘weigerambtenaren’ – (bijzondere) ambtenaren van de burgerlijke stand die om principiële redenen geen homohuwelijken wensen te sluiten – ontstond er ineens een politieke meerderheid om aan dit verschijnsel een eind te maken. Dat bracht de coalitie in een lastig parket. Toegeven aan de wens van een meerderheid van de Tweede Kamer zou immers leiden tot een conflict met de SGP. Dat kan ze zich niet veroorloven, aangezien de coalitie in de Eerste Kamer niet over een meerderheid beschikt en dus van de steun van de enige SGP-senator afhankelijk is. Dus werd overleg op hoog niveau gevoerd om de kou uit de lucht te halen. Het resultaat is dat het kabinet de ‘weigerambtenaar’ de hand boven het hoofd houdt en alles laat zoals het nu is.

Deze uitkomst bracht een auteur op de rechts-radicale site De Dagelijkse Standaard ertoe op te merken dat de SGP meer politieke invloed heeft dan de Christenunie tijdens haar deelname aan het kabinet-Balkenende had. Nu is er op voorhand reden de artikelen op die site met een flinke korrel zout te nemen, aangezien het gezichtsvermogen van de scribenten nogal eens aangetast wordt door een waas van politieke vooringenomenheid. Maar heeft de desbetreffende scribent hier wellicht gelijk? Je zou het bijna denken, aangezien ook oppositiepartijen soms beweren dat de coalitie zich heeft uitgeleverd aan de SGP.

Wanneer we kijken wat de SGP heeft bereikt, vallen twee dingen op.
Het eerste is dat het steeds om invloed in het negatieve gaat. Daarmee bedoel ik dat de SGP vooral bepaalde maatregelen weet te voorkomen. Dat is niet onbelangrijk en het is te begrijpen dat de SGP de kansen daartoe aangrijpt. Maar tegelijk betekent dit dat haar invloed sterk gerelativeerd moet worden. Want in alle gevallen zal het eerder om uitstel dan om afstel gaan. Wanneer het kabinet valt – en dat kan in feite op elk moment plaatsvinden, gezien de wankele gedoogconstructie – kunnen de politieke verhoudingen zomaar veranderen. De kans dat de SGP dan ineens aan de kant komt te staan, is dan niet denkbeeldig. Dan zou alsnog kunnen gebeuren wat ze door haar gedoogsteun heeft proberen te voorkomen. Dat gebeurt dan hooguit twee of drie jaar later. Is dat winst?

Invloed door middel van de macht van het getal – iets waar de SGP trouwens altijd met afschuw over sprak – is per definitie vergankelijk. Die verandert immers niets aan de overtuiging van de politieke tegenstanders. De SGP mag dan bereikt hebben dat de ‘weigerambtenaar’ voorlopig niet wordt ontslagen, de voorstanders van ontslag zijn niet van mening veranderd.

Daarom moet het vooralsnog als een misvatting worden aangemerkt dat de SGP meer zou hebben bereikt dan de Christenunie in het vorige kabinet. Op termijn zou wel eens kunnen blijken dat het omgekeerde het geval is. De Christenunie heeft in het kabinet positieve invloed kunnen uitoefenen. Daarmee bedoel ik dat ze de gelegenheid kreeg dingen in gang te zetten die bijdroegen tot een aanpak van maatschappelijke problemen. Een goed voorbeeld hiervan is het jeugd- en gezinsbeleid. Het simpele feit dat een speciale minister hiermee werd belast, was al een doorbraak, aangezien het gezin door sommige partijen hooguit als een burgerlijk en achterhaald verschijnsel werd beschouwd. Toen in de jaren ’90 de toenmalige CDA-leider Enneüs Heerma pleitte voor een minister voor gezin werd hij belachelijk gemaakt. Inmiddels wordt ook door sceptici uit de kringen van de jeugdzorg erkend dat André Rouvoet als programmaminister het jeugd- en gezinsbeleid op de kaart heeft gezet en dat de politiek zich meer rekenschap geeft van de effecten van politieke maatregelen voor jeugd en gezin. Daarmee gaat de invloed van de Christenunie over de grenzen van haar kabinetsdeelname heen. Hier ligt ook een fundamenteel verschil tussen Christenunie en SGP: de eerste wil vooral de maatschappelijke problemen te lijf gaan, terwijl de tweede vooral wil tegenhouden wat zij als negatief ervaart. Daarbij wordt in de eerste plaats gekeken naar de eigen achterban. Het is wellicht niet te boud te stellen dat de SGP zich vooral als belangenbehartiger van haar achterban gedraagt. En daarmee is het verschil met andere belangenpartijen minder groot dan de SGP zelf denkt.

Het tweede punt dat opvalt in de opstelling van de SGP hangt daarmee samen. Het is logisch dat ze zich sterk maakt voor zaken die zij belangrijk vindt. Maar welke zaken zijn dat? Dat zijn dingen die vaak worden aangeduid als (medisch-)ethische onderwerpen, zoals abortus, euthanasie, stamcelonderzoek, vrijheid van onderwijs. Dat zijn allemaal belangrijke zaken. Maar het is een misvatting dat alleen dat soort dingen met ethiek te maken hebben. Ethiek is immers niets anders dan ‘verantwoord handelen’. En dat is niet alleen nodig als het om abortus en euthanasie gaat, maar evenzeer in het sociaal-economisch beleid, op het vlak van natuur en milieu en ten aanzien van immigratie en integratie. Dan is het opvallend dat de SGP nauwelijks pogingen doet op deze gebieden het kabinetsbeleid te beïnvloeden. Dat kun je beschouwen als het resultaat van een nuchtere inschatting van de (geringe) mogelijkheden op dit gebied. Maar er bestaat eerder reden dit als de uitkomst van politieke keuzen te interpreteren. In de praktijk zijn de verschillen tussen de sociaal-economische opvattingen van de liberalen en die van de SGP niet zo groot. Op het gebied van natuur en milieu loopt de SGP bepaald niet voorop. Ten aanzien van immigratie en integratie schurkt ze steeds dichter tegen de PVV aan. De recente verwikkelingen rond de voorgenomen uitzetting van Mauro Manuel laten dat nog eens duidelijk zien.

Het argument van de SGP was dat de Tweede Kamer niet over individuele gevallen moet debatteren. Dat is een juist uitgangspunt. Maar dat wordt een hol argument wanneer het de politiek zelf is – en vooral het kabinet en de partijen waarop het steunt – die deze individuele zaak tot onderwerp van politiek debat heeft gemaakt. Het is nogal wrang dat de betrokkene daarvan het slachtoffer wordt. Bovendien was de opstelling van de SGP inconsequent. Wanneer je vindt dat de Tweede Kamer niet over personen moet spreken, moet je als partij niet aan het debat deelnemen. Maar dat deed de SGP wel. Je moet je dan bij stemmingen van stemming onthouden. Maar dat deed de SGP niet. Ze koos voor de lijn van het kabinet dat Mauro Manuel uitgezet moest worden. En de SGP was er zelfs niet toe te bewegen hem toe te staan vanuit Nederland een studievisum aan te vragen. Volgens de SGP moet hij gewoon weg. Voor de SGP is het gezin de hoeksteen van de samenleving. Maar dat geldt even niet voor Mauro Manuel. Is het erg boosaardig te suggereren dat ze wellicht anders gestemd zou hebben wanneer Mauro in een christelijk gezin – bij voorkeur uit de eigen achterban – was opgenomen? Had ze er dan ook voor gepleit hem terug te sturen naar een land waar geen gezin op hem wacht?

De SGP mag niet staan te trappelen om deel te nemen aan een regeringscoalitie, ze heeft opmerkelijk weinig moeite met haar rol als Staatkundige Gedoog Partij van een ‘rechtse’ coalitie. Zou dat wellicht daaruit de verklaren zijn dat ze zich weliswaar als christelijke partij profileert, maar in feite toch vooral een ‘rechtse’ partij is?

CDA in het moeras

Geplaatst 1 november 2011 door Johan van Veen
Categorieën: maatschappij, politiek

Tags: , , , , , , ,

Het gaat niet goed met het CDA. Dat is natuurlijk een understatement, maar elke beschrijving van de dramatische staat waarin de partij verkeert, moet voortdurend worden bijgesteld. Steeds denk je – en denken vooral CDA’ers – dat het niet slechter kan worden en dat het dieptepunt wel is bereikt. Maar die inschatting wordt door de feiten ingehaald. Wie durft te zeggen dat de laatste peiling van Maurice de Hond, waarin het CDA op niet meer dan 11 zetels komt, het dieptepunt is en dat het niet slechter kan? Hooguit zou je kunnen zeggen dat het weinig uitmaakt of je op 11 dan wel op 10 of 9 zetels uitkomt.

Hoe is het mogelijk dat een partij die nog maar een paar jaar geleden een centrale rol in het Nederlandse politieke landschap speelde, zo snel in de kiezersgunst is gekelderd?

De verwijzing naar het recente verleden is niet zo relevant. Weliswaar leverde het CDA nog steeds de minister-president en was ze bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen weer de grootste partij geworden, het verval was al lang daarvoor ingezet. Eén van de oorzaken was het gebrek aan debat binnen het CDA. Terwijl in andere partijen gediscussieerd werd over bijvoorbeeld de positie van moslims in de samenleving hield het CDA angstig de kaken op elkaar. Aan de top was er geen ruimte voor debat aangezien minister-president Balkenende zich zorgvuldig had omgeven met partijgenoten die hem vooral gelijk gaven en niet de moed of de wil bezaten hem tegen te spreken. De fractie was zodanig getrimd dat ook van die kant geen tegenspraak te verwachten was.

Daar plukt het CDA nu de wrange vruchten van. Want voor een inhaalslag is het te laat. Doordat het debat jarenlang is verwaarloosd is er nu geen klimaat aanwezig waarin een vruchtbare discussie kan plaatsvinden. Zoals de laatste twee partijcongressen hebben laten zien kan er nauwelijks nog gedebatteerd worden zonder verhitte koppen en getrokken messen. Bovendien hangt de deelname aan het kabinet het CDA als een loden last om de nek. Àls het CDA al van koers wil veranderen, kàn hij dat niet, op straffe van het opblazen van het kabinet. En daarvoor is de meerderheid van de CDA-leden nog altijd niet te vinden.

Voor de echte oorzaak van de misère moeten we echter nog verder terug. In zekere zin zit de verdeeldheid over de politieke koers in het CDA ingebakken. Dat heeft alles te maken met het feit dat het CDA zich niet als christelijke partij wil profileren. Hij wil zich hoogstens door het evangelie laten inspireren. Dat heeft geleid tot de formulering van een aantal politieke uitgangspunten die weliswaar tot het evangelie kunnen worden herleid maar nogal wat ruimte voor uiteenlopende interpretaties laten. Wanneer het evangelie niet als grondslag fungeert kunnen die uitgangspunten een eigen leven gaan leiden. Wie zal bepalen welke interpretatie de juiste is en hoe deze uitgangspunten concreet moeten worden vertaald? Dat verklaart waarom binnen het CDA opvattingen op sociaal-economisch gebied, natuur en milieu en immigratie en integratie worden gehuldigd die eerder van een hoog liberaal gehalte zijn dan van een evangelische inspiratie getuigen.

Het CDA doet verwoede pogingen het tij te keren. Dat moet onder andere gebeuren door een commissie te laten nadenken over manieren om de partij weer nieuwe bezieling te geven. Dat is een bijna onmogelijke opdracht. In haar presentatie van de eerste resultaten van die bezinning merkte Jacobine Geel op dat het compromis bij de politiek hoort, maar dat je een compromis met de politieke tegenstander sluit en niet met jezelf. Maar daar zit precies het probleem. Door het gebrek aan heldere uitgangspunten die voor alle CDA-leden en -vertegenwoordigers bindend zijn, draagt elke congresuitspraak met betrekking tot de koers van de partij het karakter van een compromis tussen de verschillende vleugels. Compromissen sluit je met tegenstanders – het probleem voor het CDA is dat zich binnen de partij opvattingen hebben ontwikkeld die vroeger alleen door tegenstanders werden gehuldigd. Je zou kunnen zeggen dat de tegenstanders van christendemocratische politiek een legitieme plaats in het CDA hebben gekregen. Degenen die de legimiteit van de door hen uitgedragen opvattingen bestrijden worden aan de kant geschoven en als ‘mastodonten’ afgeserveerd.

De speelruimte voor het CDA is beperkt. Àls het al een duidelijker christen-democratisch stempel op het sociaal-economisch beleid zou willen zetten, komt het in conflict met de VVD, die daar geen oren naar heeft. De bezinningscommissie keerde zich bij monde van mw Geel tegen “de dominantie van de economische logica”. Maar zolang de VVD en in een aantal opzichten ook de PVV zich daarin vastbijten, zal het bij woorden blijven. Het CDA zou ook niet mogen instemmen met een vrijheidsbegrip dat dreigt uit te lopen op een “dwingende vorm van liberalisme, waarbij iedere burger zich lijkt te moeten onderwerpen aan één uniforme uitleg van wat vrijheid is”. Maar VVD en PVV lijken ook hier niet tot compromissen bereid. En àls ze op dat punt water bij de wijn willen doen, zal dat eerder gemotiveerd worden door de wens de steun van de SGP op een aantal voor deze partijen essentiële dossiers niet te verliezen dan door de wensen van het CDA.

Is er nog een uitweg voor het CDA? Ja, maar zonder slag of stoot zal het niet gaan. Allereerst moet het CDA breken met zijn verknochtheid aan de macht. Natuurlijk, elke politieke partij wil regeren. Maar er moet wel iets te regeren zijn. Deelname aan het kabinet biedt de kans invloed uit te oefenen. Maar die moet dan wel aangegrepen worden en de coalitiepartners moeten daarvoor ook ruimte bieden. In de huidige coalitie is daarvan geen sprake. De regeringsdeelname van het CDA leidt er alleen maar toe dat de partij medeverantwoordelijk wordt voor beleid dat haaks staat op zijn eigen uitgangspunten.

Wil het CDA in de toekomst weer een rol van betekenis gaan spelen, dan moet hij het kabinet laten vallen. Alleen dan verschaft hij zich de vrijheid de uitgangspunten op te poetsen en concreet te maken in het politieke programma. Die moeten dan wel bindend zijn. Wanneer het CDA weer een eigen gezicht wil krijgen kan dat alleen door aan VVD-achtige opvattingen op sociaal-economisch gebied en aan PVV-sentimenten over immigratie en integratie een legitieme plaats in de partij te ontzeggen. Het CDA zal de moed moeten hebben een duidelijke keuze te maken, zelfs als dat ertoe leidt dat de rechtervleugel definitief vertrekt. Dat is altijd beter dan een zwabberkoers die tot gevolg heeft dat beide vleugels afkalven en de partij voor niemand nog aantrekkelijk is.

Maar zo’n koers kan alleen worden ingezet wanneer de leden van het CDA nog in die uitgangspunten geloven en wanneer zijn vertegenwoordigers in staat en bereid zijn ze met verve en overtuigingskracht uit te dragen. En daar zou wel eens het grootste probleem kunnen zitten. Zijn die er nog wel?

Rechtse betutteling

Geplaatst 17 september 2011 door Johan van Veen
Categorieën: maatschappij, politiek, religie

Tags: , , , , , , , , , ,

Het kabinet is eruit: er komt een verbod om zich in de openbare ruimte te vertonen, gehuld in een boerka of niqab. Wie dat toch doet, krijgt een boete. Je zou denken dat het kabinet, nu een ongekende internationale financiële crisis bezworen moet worden, wel iets beters te doen heeft dan zich met dit onderwerp bezig te houden. Maar aangezien de PVV zich in het debat over de aanpak van de financiële crisis vrijwel geheel buiten spel heeft gezet, moet haar af en toe een kluif worden toegeworpen op een haar aangelegen punt. En dat is vooral het streven het leven van moslims zo zuur mogelijk te maken.

Want in deze categorie valt het boerkaverbod, zoals het kortweg wordt aangeduid. Het wordt gepresenteerd als een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding. Daaronder vallen dan ook een ondoorzichtige intergraalhelm en een bivakmuts. Maar die zijn alleen toegevoegd om de suggestie te vermijden dat deze wetgeving speciaal tegen moslims is gericht. Dat was al een element in de wetgeving die de toenmalige minister van integratie Verdonk in het eerste kabinet-Balkenende voorbereidde. Die vormen van gezichtsbedekkende kleding bestaan al decennia, maar nooit eerder is een kabinet op het idee gekomen die te verbieden. Het zou ook niet echt zinvol zijn, want je ziet zelden iemand gewoon over straat lopen met een bivakmuts. Als dat wel gebeurt is er meestal iets bijzonders aan de hand. Iemand die een winkel wil overvallen laat echt zijn bivakmuts niet thuis omdat op het dragen ervan een boete staat.

Het aantal vrouwen dat zich in een boerka of niqab hult zou wel eens nog lager kunnen zijn. Ik weet niet hoeveel islamitische vrouwen zich daarmee bedekken, maar het zou me verbazen als het er meer dan 500 zijn. Ik heb zelfs gelezen dat het er zo’n 150 zijn. In de stad waarin ik woon zijn moslims duidelijk aanwezig, maar door de jaren heen ben ik hooguit twee of drie keer een vrouw in een boerka tegengekomen. Iemand met een niqab heb ik nog nooit gezien. Het is nogal wat voor een groep van 500 of zelfs minder mensen een specifieke wet te ontwerpen en bij de Tweede Kamer in te dienen. De draagsters van bedoelde gezichtsbedekkende kleding zouden zich daardoor bijna gevleid kunnen voelen. De meeste inwoners van Nederland krijgen aanzienlijk minder aandacht van de overheid.

Voor een verbod als het kabinet voor ogen staat is geen zinnig argument te bedenken. “Het staat haaks op de wijze waarop wij in de publieke ruimte met elkaar omgaan: herkenbaar en aanspreekbaar”, zo zegt minister Donner volgens de Volkskrant. Waarom is iemand met een boerka niet aanspreekbaar? Haar mond is toch niet dichtgeplakt? Het is wellicht wat vreemd met iemand te praten van wie je de ogen niet kunt zien. Maar er lopen genoeg mensen rond met een zonnebril die de ogen geheel afschermt. Daar valt niemand over. En waarom zou iedereen op straat herkenbaar moeten zijn? Het argument daarvoor levert Donner niet. Ook daarbij valt de kanttekening te maken dat er heel wat vormen van kleding zijn die niet zo erg veel verschillen van een boerka. Je ziet nogal eens jongeren over straat gaan met hun capuchon zo ver over hun hoofd getrokken dat het effect praktisch hetzelfde is.

“Bijna iedereen voelt het zo: zo gaan we niet met elkaar om. Mensen voelen zich unheimisch”. Dat is dus uiteindelijk doorslaggevend: het gesunde Volksempfinden. Maar als dat het beleid ten aanzien van (on)gewenst gedrag in de publieke ruimte gaat bepalen, is het einde zoek. Waar ligt dan de grens en wie bepaalt die? Er zijn ongetwijfeld mensen die zich unheimisch voelen bij het zien van uitingen van welke godsdienst dan ook of van publieke uitingen van een bepaalde politieke voorkeur. Gaat de overheid die dan ook verbieden?

Donner heeft zich ter verdediging eerder op de openheid van onze samenleving beroepen. Het dragen van gezichtsbedekkende kleding zou zich daarmee niet verdragen. Maar daarmee slaat hij de plank geheel mis. Eén van de kenmerken van een open samenleving is dat iedere burger zich in de publieke ruimte mag bewegen op een manier die hem of haar goeddunkt, zolang de veiligheid en de vrijheid van andere burgers niet geschonden worden. Een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding is een inbreuk op die vrijheid. Een andere reden om de individuele vrijheid aan banden te leggen is gelegen in de bescherming van de openbare eerbaarheid. “Je mag ook niet geheel ontkleed over straat”, zegt Donner. Het is nogal ironisch dat het verbod op het dragen van te weinig kleding wordt gebruikt als argument om een verbod op het dragen van te veel kleding te rechtvaardigen.

Het voorgestelde verbod kan niet anders dan als betutteling getypeerd worden. Die valt niet te rechtvaardigen, ook niet met een verwijzing naar de mensenrechten. Wanneer ‘rechtse’ politici zich sterk maken voor mensenrechten is er enige reden tot wantrouwen. Partijen als VVD en PVV lopen niet bepaald voorop in de verdediging van mensenrechten en Amnesty International behoort niet tot hun favoriete organisaties. Kritiek van mensenrechtenorganisaties over de manier waarop in Nederland bijvoorbeeld asielzoekers worden behandeld, wordt afgedaan als linkse bemoeizucht. Een grote mate van sociale betrokkenheid kan deze partijen ook niet worden aangewreven. Mensen moeten toch vooral zelf hun leven inrichten en het zoveel mogelijk zelf allemaal maar uitzoeken.

De bezorgdheid om de rechten van moslimvrouwen lijkt daarom vooral een stok om de hond te slaan. Op die manier kunnen wellicht ook andere dan ‘rechtse’ partijen voor een boerkaverbod gewonnen worden. Weliswaar is bij de seculiere partijen de afkeer van betutteling groot, maar die houdt meestal op zodra het om godsdienst gaat. Het meest recente voorbeeld daarvan is het verbod op ritueel slachten. Wat partijen van ‘rechts’ en ‘links’ bovendien verbindt is het gebrek aan voorstellingsvermogen. Er wordt zonder meer van uitgegaan dat vrouwen die een boerka dragen dat niet vrijwillig doen, maar onder dwang. Evenmin kan men zich voorstellen dat vrouwelijke leden van de SGP zich uit overtuiging niet voor de kandidatenlijst van hun partij melden.

Is het dragen van een boerka door moslimvrouwen gebaseerd op de opvatting dat man en vrouw niet gelijkwaardig zijn? Misschien. Maar zo’n opvatting mag in Nederland worden aangehangen en – ook in de openbare ruimte – worden uitgedragen. In een open samenleving mag de burger zijn eigen leven vorm geven in overeenstemming met zijn overtuiging, zolang hij daarmee andere burgers niet schaadt. Hij behoort daarbij gevrijwaard te blijven van betutteling, of die nu van ‘rechts’ of van ‘links’ komt.

Subsidie als politiek wapen

Geplaatst 22 augustus 2011 door Johan van Veen
Categorieën: maatschappij, politiek

Tags: , , , , , , , , , , ,

Op 20 augustus verscheen een opmerkelijk artikeltje op Elsevier.nl, onder de titel: “Wilders eist vrijheid, maar snoert anderen de mond”. Het opmerkelijke is niet zozeer de inhoud, maar vooral dat het op de site van Elsevier verscheen, dat zich de afgelopen jaren steeds sterker tot spreekbuis van Wilders en de PVV heeft ontwikkeld. Uit de reacties in het forum blijkt dat kritiek op Wilders door de overgrote meerderheid van de lezers niet op prijs wordt gesteld. Het siert de auteur, Wierd Duk, dat hij zich daardoor niet heeft laten intimideren.

De strekking van het artikel is niet opmerkelijk, zoals gezegd. Het is al herhaaldelijk gesignaleerd dat vertegenwoordigers van de PVV nogal gauw klaarstaan om te protesteren wanneer opiniemakers kritiek leveren op hun beweging of hun leider, Geert Wilders. Niet dat men erop aandringt zulke mensen het zwijgen op te leggen – dat zou wat al te opzichtig zijn. Bovendien zou een dergelijk verzoek niets uithalen. Maar er zijn wel andere middelen om het critici in elk geval zo moeilijk mogelijk te maken hun opvattingen te ventileren. Het bekendste voorbeeld wordt ook door Duk genoemd: onder druk van de PVV werd het Volkskrant-columnist Thomas von der Dunk onmogelijk gemaakt in het Provinciehuis van Noord-Holland een lezing te houden, waarin hij scherpe kritiek op de PVV uitte. Hij hield de lezing daarop in de open lucht.

Er is nog een andere stok om honden te slaan die niet willen meeblaffen met de PVV, die naar eigen zeggen ‘het volk’ vertegenwoordigt. Veel organisaties die zich met maatschappelijke en politieke vraagstukken bezighouden, ontvangen subsidie van de overheid. Dat stelt hun in staat wetenschappelijk onderzoek uit te voeren, personeel in dienst te hebben, conferenties te organiseren en onderzoeksrapporten te publiceren. Zulke subsidies staan gewoonlijk los van de politieke kleur van de desbetreffende organisatie – aangenomen dat ze een politieke kleur heeft – en wordt vooral toegekend op basis van de bijdrage tot het debat. Daar zou de PVV graag mee breken. Wanneer een organisatie of haar vertegenwoordigers zich uitlaten op een manier die door de PVV niet op prijs wordt gesteld, zou ze haar subsidie moeten verliezen. Daarom dringt de PVV aan op het stopzetten van de subsidie van het Nexus Instituut in Tilburg, aangezien zijn directeur, Rob Riemen, de PVV omschrijft als het “prototype van hedendaags fascisme”.

Aanhangers van de PVV wijzen er op dat het stopzetten van subsidie niet hetzelfde is als het monddood maken van een organisatie. Feitelijk mag dat juist zijn, het is ook een versimpeling van de werkelijkheid. Organisaties als het Nexus Instituut – er zijn er vele van diverse snit – zijn grotendeels afhankelijk van overheidssubsidie en kunnen zonder nauwelijks bestaan. Particuliere financiering van onderzoeksinstituten heeft in Nederland – in tegenstelling tot de Verenigde Staten – geen traditie en het valt niet te verwachten dat particuliere fondsen soelaas bieden wanneer de overheidssubsidie wegvalt. Een andere mogelijkheid is de bekostiging door het bedrijfsleven. Maar is dat een verbetering? Wat betekent dit voor de onafhankelijkheid van de onderzoekers die bij zo’n instituut werken? Ze zullen best integer zijn, maar zullen ze altijd in staat zijn de eventuele druk van geldschieters te weerstaan om ‘ongewenste’ resultaten van onderzoek aan te passen of te verzwijgen? Financiering door het bedrijfsleven zal wellicht hun financiële positie versterken, maar kan hun maatschappelijke betekenis ondergraven.

Dat is wellicht mooi meegenomen voor de PVV en haar aanhangers. Want aan onafhankelijk onderzoek, gebaseerd op controleerbare feiten, hebben ze geen behoefte. Wanneer onderzoeksrapporten haaks staan op hun opvattingen, zijn ze er als de kippen bij de onafhankelijkheid van de onderzoekers in twijfel te trekken. Dat wordt nog gemakkelijker wanneer die door particulieren of door bedrijven gefinancierd worden. Het is juist de subsidie van de overheid die onderzoekers in staat stelt onafhankelijk te opereren. Dat wil zeggen, zolang die overheid geen politieke of ideologische criteria aanlegt.

Over de vraag of zulke organisaties gesubsidieerd zouden moeten worden valt te discussiëren. Maar dat debat moet dan los staan van politieke of ideologische voorkeuren. Op het eerste gezicht lijkt het logisch dat er bezwaar tegen gemaakt wordt dat men moet meebetalen aan organisaties die activiteiten ontwikkelen of opinies ventileren waarmee men het oneens is. Maar dat is niets bijzonders. De overheid heft belasting van de burgers en geeft dat geld vervolgens uit aan zaken die zij nuttig vindt. Over de vraag wat nuttig is lopen de meningen uiteen. Dat hoort bij de democratie. Het is wel erg goedkoop te suggereren dat ‘rechtse’ kiezers moeten betalen voor ‘linkse hobbies’. Het omgekeerde komt ook voor. Om maar één voorbeeld te noemen: via het bedrijfsfonds voor de pers steunen alle belastingbetalers niet alleen ‘linkse’, maar ook ‘rechtse’ kranten. Voor de omroep geldt hetzelfde: zowel de ‘linkse’ VARA als de ‘rechtse’ PowNed krijgen geld van de belastingbetaler. Hetzelfde verschijnsel doet zich op andere terreinen voor: voetbalhaters betalen mee aan de instandhouding van voetbalclubs en musea worden mede betaald met geld van belastingbetalers die nooit een voet in een museum zetten. Dat heet nu samenleving.

Het zegt veel over het politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland dat politieke partijen duidelijk laten merken aan tegengestelde opinies geen enkele behoefte te hebben. Dat geldt niet alleen voor de PVV, al is deze het meest uitgesproken op dit punt. Ook de VVD laat zich niet onbetuigd. Enkele maanden geleden stelde VVD-kamerlid Leegte voor de financiële bijdrage aan het KNMI te beëindigen. De reden was dat deze organisatie opvattingen over de klimaatverandering huldigt die de partij niet goed uitkomen. Dat het financiële aspect uiteindelijk niet doorslaggevend is blijkt uit een artikel dat op 7 april 2011 in de Volkskrant verscheen. Daarin betoogden Stef Blok en Klaas Dijkhoff, respectievelijk voorzitter en lid van de VVD-fractie in de Tweede Kamer, dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aan banden moet worden gelegd. De reden: het hof doet uitspraken die het door de VVD voorgestane beleid op sociaal gebied en ten aanzien van de immigratie frustreren.

De afkeer van tegengeluiden heeft veel met onzekerheid te maken. Tegengestelde opinies worden vooral als bedreigend ervaren. Ze zouden de kiezers eens op andere gedachten kunnen brengen en ertoe kunnen verleiden kritische vragen te stellen. Partijen als VVD en PVV en hun vertegenwoordigers voelen zich blijkbaar niet in staat deze opvattingen van een adequaat weerwoord te voorzien. Het ontbreekt hun aan het daarvoor benodigde intellectueel gewicht. Vooral wanneer opinies gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek voelt men zich in het nauw gedreven. Dat hoeft geen verbazing te wekken. De VVD valt niet bepaald op door intellectuele bijdragen aan politieke en maatschappelijke discussies. En dat de PVV geen wetenschappelijk instituut heeft past ook geheel in het beeld dat deze beweging vertoont. In feiten is ze niet geïnteresseerd en wetenschap is vooral een ‘linkse hobby’. De PVV is een bij uitstek anti-intellectuele beweging. In het licht hiervan is het logisch dat men de resultaten van wetenschappelijk onderzoek die niet in het eigen straatje passen als politiek bevooroordeeld wegzet en voorstelt de subsidie voor zulk onderzoek stop te zetten.

Daarmee gaat de democratie de trekken vertonen van dictaturen die we uit de 20e eeuw kennen. In dictatoriaal geregeerde landen leefde de politieke elite in een zelf geschapen werkelijkheid waarin niet de feiten maar de ideologie bepaalde wat waar was. Machthebbers omringden zich met jaknikkers die hen in hun waandenkbeelden stijfden. Dat ging een tijd goed, maar uiteindelijk spatte de zeepbel uit elkaar. Toen bleek hoezeer de door hen geschapen wereld verschilde van de echte.

Maar dat verschijnsel beperkt zich niet tot politieke dictaturen. Ook in de wereld van de economie en het geld komt zoiets voor. De bancaire elite leeft in een door haar zelf geschapen en in stand gehouden wereld die met de werkelijkheid maar weinig van doen heeft. Het is dan niet vreemd dat de maatschappelijke ophef over hoge bonussen bij deze elite op volstrekt onbegrip stuit.

Elk gewicht heeft een contragewicht nodig om in balans te blijven. Politieke oppositie is geen kwaad dat nu eenmaal onvermijdelijk is in een democratie, ze is noodzakelijk om degenen die macht uitoefenen, scherp te houden en voor een tunnelvisie te behoeden. Daarom zijn in een democratie ook maatschappelijke tegengeluiden van levensbelang. En dan is het helemaal niet vreemd organisaties die zulke geluiden laten horen te faciliteren, ook financieel. Ze zijn van groot politiek en maatschappelijk belang, niet omdat ze zeggen wat politici willen horen, maar juist omdat ze vertellen wat politici liever niet willen horen. Het hanteren van subsidie als politiek wapen is vanuit democratisch oogpunt kwalijk. Maar het is vooral erg dom.

Nederland en de Noorse tragedie

Geplaatst 24 juli 2011 door Johan van Veen
Categorieën: Geen categorie, maatschappij, politiek

Tags: , , , , , , , , , , ,

Noorwegen zal nooit meer hetzelfde zijn. Dat is de conclusie die direct getrokken werd na de aanslagen die het land vorige week troffen. Dat klinkt plausibel. In welk opzicht zal Noorwegen veranderen? Dat is moeilijker te voorspellen. Maar de effecten van de aanslagen hoeven niet tot Noorwegen beperkt te blijven. Het zou zelfs goed zijn wanneer ze ook in andere landen tot diepgaande zelfreflectie aanleiding zouden geven.

Sommige politici en opiniemakers waren er wel snel bij de dader als een eenzame gek te brandmerken. Is hier de wens de vader van de gedachte? Het heeft wel iets geruststellends. Als de dader gestoord is, lijkt hij in elk geval niet op mij of andere ‘normale’ mensen. En dan hoeft het bijna algemeen aanvaarde dogma dat de mens van nature goed is, niet ter discussie gesteld te worden. En dan hoeven we ons ook niet af te vragen of en in welk opzicht maatschappelijke ontwikkelingen aan deze terreurdaden ten grondslag liggen. Maar juist die maatschappelijke zelfreflectie zou wel eens het positieve effect kunnen zijn van wat zich in Noorwegen heeft afgespeeld.

Het heeft er vooralsnog alle schijn van dat de dader zelfstandig heeft geopereerd. Daarom valt hij in de categorie die door terrorismedeskundigen als lone wolf wordt getypeerd. Zulke daders hebben zich al eerder gemanifesteerd, zowel in Nederland als in andere landen. Voor wat Nederland betreft behoren ook de daders van de geweldsdelicten in Apeldoorn en recent in Alphen aan den Rijn tot deze categorie. Het gaat om personen die een sterk geïsoleerd leven leiden. Er zijn in de moderne westerse samenlevingen steeds meer van dat soort mensen. Maar dat willen we liever niet weten. Het verschijnsel heeft althans geen prioriteit in de politieke en maatschappelijke discussies. Toch is daar alle reden toe. Al jaren geleden schatte het Leger des Heils het aantal eenzame mensen in Nederland op 800.000. Daaronder worden verstaan mensen die geen familie, vrienden of kennissen hebben op wie ze een beroep kunnen doen. Dat aantal zal inmiddels wel gestegen zijn en het valt niet aan te nemen dat in de komende decennia een daling zan optreden. Dit verschijnsel heeft nogal wat gevolgen. Het door ‘rechts’ gepropageerde ideaal van de terugtredende overheid zal al snel op zijn grenzen stuiten, wanneer blijkt dat zoveel mensen tot geen enkel sociaal verband behoren en de overheid daarom de enige instantie is die in geval van nood hulp kan bieden.

Op sociaal gebied heeft die vereenzaming dus niet alleen gevolgen voor de betrokkenen zelf, maar ook voor de overheid. Maar ze kan nog veel verderstrekkende gevolgen hebben die de hele samenleving raken. Letterlijk: de meeste gevallen van extreem geweld van de laatste jaren zijn veroorzaakt door sociaal geïsoleerde individuen. Ze bemoeien zich met niemand en niemand bemoeit zich met hen. Dat betekent dat ze zich op een eenzijdige manier kunnen ontwikkelen zonder dat ze door een contragewicht in balans worden gehouden. Ze kunnen zich in bepaalde denkbeelden gaan vastbijten en daarin gaan radicaliseren zonder dat dit door hun omgeving wordt opgemerkt, laat staan gecorrigeerd. Ze hebben niemand die hen tot de werkelijkheid kan terugbrengen en voor enige relativering kan zorgen. Het gebrek aan een sociaal verband vergemakkelijkt ook de stap naar het gebruik van geweld. De daders worden vrijwel altijd gekenmerkt door een gebrek aan inlevingsvermogen en betrokkenheid op anderen. Dat is een logisch gevolg van het leven in een maatschappelijk isolement.

Dat dit onderwerp niet hoog op de maatschappelijke agenda staat – of misschien niet eens in volle omvang wordt waargenomen – zou wel eens veroorzaakt kunnen worden door het dogma van de individualisering. Een onderzoek naar de oorzaken van vereenzaming en sociaal isolement zou tot de conclusie kunnen leiden dat deze de wrange vruchten zijn van de individualisering. Dat zou een pijnlijke conclusie zijn die de vraag opwerpt of die individualisering wel zo gezond is. Maar die vraag wil de moderne westerse mens niet onder ogen zien. Het dogma van de individualisering mag op geen enkele manier ter discussie worden gesteld.

Opvallend was de manier waarop in de media op de gebeurtenissen in Noorwegen werd gereageerd. Aanvankelijk werd er direct van uitgegaan dat deze het werk waren van moslimterroristen. Toen eenmaal de identiteit van de dader bekend werd, brak onmiddellijk een twitteroorlog uit. Vanuit de flanken van het politieke spectrum werden pogingen gedaan de tegenoverliggende partij in elk geval een deel van de morele schuld aan deze terreurdaden in de schoenen te schuiven. Geert Wilders kwam onder vuur te liggen, vooral omdat de dader door hem geïnspireerd leek te zijn. Daartegenover deden aanhangers van Wilders hun best hun eigen straatje schoon te vegen en langs een omweg de uiteindelijke verantwoordelijkheid bij ‘links’ te leggen. En sommige schrijvers in internetfora van kranten konden nauwelijks hun genoegen verbergen dat jonge sociaal-democraten in wat ze omschreven als een ‘indoctrineringskamp’ waren getroffen. Uiteraard alles met de verzekering dat de daad zelf natuurlijk werd afgekeurd.

Het is veelzeggend dat deze terreurdaad in Nederland een onderwerp van heftig politiek gekrakeel werd. Dit laat zien hoever de polarisatie in maatschappij en politiek inmiddels is voortgeschreden. Eensgezindheid, over de grenzen van politieke en religieuze overtuigingen heen, blijkt zelfs bij gebeurtenissen als deze, die aan zoveel mensen het leven hebben gekost, niet meer mogelijk. Dat noopt tot politieke en maatschappelijke zelfreflectie. Iedereen die deelneemt aan het politieke en maatschappelijke debat zou bij zichzelf te rade moeten gaan en zich moeten afvragen of hij zelf bijdraagt tot een zodanige vergiftiging van het maatschappelijk klimaat dat van welke vorm van consensus dan ook geen sprake meer is en een fatsoenlijke en vreedzame dialoog nauwelijks nog mogelijk lijkt. Draagt de ver doorgeschoten polarisatie bij tot maatschappelijke vrede?

Daarmee komen we wel direct tot het hart van de zaak. Er zijn politici en opiniemakers die niet naar maatschappelijke vrede streven maar die juist zoveel mogelijk willen verstoren. Zij zullen zich niet afvragen of zij bijdragen tot vergiftiging van het maatschappelijk klimaat. Want wat door sommigen als vergiftiging wordt getypeerd, wordt door hen juist als bevrijding van politieke correctheid gevierd. De kans dat zij tot de conclusie komen dat de polarisatie te ver is doorgeschoten, is klein. Toch kunnen ze er niet om heen dat er mensen zijn die, door hen geïnspireerd, bereid zijn de gewapende daad bij het woord te voegen.

Natuurlijk zullen deze politici onderstrepen dat ze volstrekt tegen geweld zijn. Daar hoeft op zichzelf niet aan getwijfeld te worden. Maar de reikwijdte en het effect van hun denkbeelden en de manier waarop zij politiek bedrijven, lijkt hun te ontgaan. “Ik zeg wat ik denk” is het nieuwe dogma. Dat is één van de oorzaken dat de politieke en maatschappelijke discussie in toenemende mate is ontspoord. Ze wordt steeds meer gekenmerkt door een gebrek aan respect voor overtuigingen en opvattingen die men niet deelt. Dat blijkt onder andere uit het feit dat tegenstanders als “vijanden” worden gebrandmerkt. Daaraan maken vooral Geert Wilders en zijn PVV zich schuldig. Maar zij niet alleen. Toen hij nog fractieleider van de VVD was sprak Mark Rutte al eens over “de vijand” in het Torentje, daarmee doelend op toenmalig minister-president Balkenende. Wie zijn tegenstanders als vijanden beschouwt, moet niet verbaasd zijn wanneer een geestverwant in internetfora lijstjes met namen van ‘linkse’ politici publiceert en die typeert als “landverraders”. Het is dit klimaat dat de voedingsbodem voor fysiek geweld vormt. Voorstanders van verregaande politieke polarisatie lijken niet te beseffen of niet onder ogen te willen zien dat er geen waterscheiding bestaat tussen verbaal en fysiek geweld. Politieke partijen en bewegingen zoeken niet zelf hun aanhangers uit. Ze zouden zich wel moeten afvragen waarom zij bepaalde figuren aantrekken. En wanneer deze dan ook nog eens bereid blijken de grens tussen verbaal en fysiek geweld te overschrijden, kunnen ze zich niet langer achter goede bedoelingen verschuilen.

Er is geen reden aan te nemen dat wat zich in Noorwegen heeft afgespeeld zich in Nederland niet zou kunnen herhalen. Er is geen probaat middel dit te voorkomen. Het is wel de verantwoordelijkheid van politici en opiniemakers op een zodanige manier met meningsverschillen om te gaan dat geen voedingsbodem voor zulke geweldsuitbarstingen ontstaat. Het afstand nemen van vijanddenken en het zich onthouden van verbaal geweld zouden stappen in de goede richting zijn.Wanneer ze zich dit realiseren, kan uit de Noorse tragedie in elk geval voor Nederland nog iets goeds voortkomen.

CDA en CU op zoek naar de C

Geplaatst 6 april 2011 door Johan van Veen
Categorieën: maatschappij, politiek, religie

Tags: , , , , , , , ,

Er zijn in Nederland twee politieke partijen met een C in hun naam. De eerste is het CDA, oftewel het Christen-Democratisch Appèl. De tweede is de ChristenUnie, soms aangeduid met de afkorting CU. Die C verwijst naar het christelijk geloof waarmee beide partijen een bepaalde binding hebben, zij het dat die binding bij het CDA veel losser is dan bij de Christenunie. Beide partijen worden geconfronteerd met een electorale teruggang, die overigens bij de ChristenUnie lang niet zo dramatisch is als bij het CDA. En in beide partijen vindt een discussie over de politieke koers plaats waarbij ook de betekenis van de C aan de orde komt.

Als je een probleem hebt en naar een oplossing zoekt is het wel handig wanneer je weet wat de oorzaak en de aard van het probleem is. Daarover is men het binnen het CDA nog niet eens. Op het partijcongres van 2 april j.l., waar de leden een nieuwe voorzitter hebben gekozen, leek zich toch een soort consensus af te tekenen: de kiezer weet niet meer waar het CDA voor staat. Daarom moet het profiel van de partij worden opgepoetst. Maar daarbij zal onvermijdelijk de vraag aan de orde komen wat precies de betekenis van de C is en welke rol die in het profiel van de partij moet spelen. Het CDA is nogal huiverig om een directe verbinding tussen het christelijk geloof en de politieke standpunten te leggen. Hij wil een brede volkspartij zijn waarin ook mensen welkom zijn die zich niet als christen beschouwen, zoals moslims. Die kunnen het CDA zelfs in gemeenteraden, Provinciale Staten en kamers vertegenwoordigen. Dat maakt een al te sterke binding tussen christelijk geloof en het politieke programma in feite onmogelijk. Maar kan het CDA zonder die binding wel koersvast blijven? De geschiedenis van de partij wijst daar niet op.

Het is interessant deze ontwikkeling af te zetten tegen die binnen de ChristenUnie. Ook al is de discussie over de koers van die partij nog maar net begonnen, inmiddels zijn er diverse opinies geventileerd die een idee geven van de gedachten die binnen de partij en bij sympathisanten leven. Ik wil hier in het bijzonder de aandacht vragen voor de bijdrage tot de discussie van Jan Hoogland, bijzonder hoogleraar Christelijke Filosofie aan de Universiteit van Twente. In het Nederlands Dagblad van 24 maart j.l. schreef hij een artikel onder de titel “ChristenUnie moet Henk en Ingrid weer serieus nemen”. Het is een nogal merkwaardig betoog. De titel suggereert dat de ChristenUnie haar beleid moet bijstellen. Maar aan het slot van het artikel pleit Hoogland voor een politieke koers die niet verschilt van de huidige. “Volgens mij kan de ChristenUnie het beste een koers gaan varen waarin zij zich sterk maakt voor een zorgzame samenleving. Waar het CDA zich steeds conservatiever lijkt te gaan profileren, zou de ChristenUnie zich nog veel duidelijker dan in het verleden als een christelijk-sociale partij moeten opstellen: het christelijke alternatief voor de SP.” Hij besluit zijn artikel met de zin: “Hoog tijd dus om het label ‘christelijksociaal’ te claimen en in te vullen.”

Toch stelt hij een koerswijziging voor, maar dan vooral op het vlak van de uitgangspunten en het karakter van de ChristenUnie. Aan het begin van zijn artikel pleit hij er voor af te zien van een te scherp christelijk profiel. “Naar mijn indruk staat de ChristenUnie op een historisch keerpunt: blijft zij zich opstellen als een traditioneel verzuilde partij (zoals de SGP)? In dat geval zal zij zich tevreden moeten stellen met een kleine, trouwe, maar op termijn ook slinkende aanhang. Het alternatief is dat de ChristenUnie zich verbreedt tot een partij die gebaseerd is op een aantal duidelijk christelijke waarden, maar zonder zich expliciet als een partij van gelovige christenen te afficheren.” Die opvatting is merkwaardig in het licht van zijn keuze voor een sociaal profiel. De geschiedenis van het CDA laat immers zien wat er kan gebeuren wanneer een binding aan het christelijk geloof wordt losgelaten. Dan kan – bij verandering van maatschappelijk klimaat – de partij zomaar gaan schuiven en van een middenpartij een rechtse partij worden. En dan krijgt ook een prominent vertegenwoordiger van die partij de kans ervoor de pleiten de C als “conservatief” te interpreteren.

Hoogland is van mening dat de ChristenUnie zich niet meer kan profileren op typisch christelijke opvattingen met betrekking tot abortus en euthanasie en ook afstand moet nemen van een christelijke partijcultuur. “In plaats daarvan zal men een duidelijk christelijk geïnspireerde, maar veel breder wervende politieke filosofie moeten omarmen op basis waarvan men de eigen standpunten kan beargumenteren.” De ontwikkeling van het CDA laat zien dat dit niet alleen openingen biedt voor een koerswijziging naar een beleid dat nog maar weinig christelijke kenmerken vertoont, maar ook kan men uit de politieke geschiedenis van de laatste decennia leren dat het vervangen van het christelijk geloof door een politieke filosofie de electorale neergang niet kan tegenhouden. Noch principieel noch electoraal valt voor de ChristenUnie garen te spinnen bij de principiële koerswijziging die Hoogland bepleit. Wanneer de ChristenUnie haar expliciete binding aan het christelijk geloof loslaat, heeft ook zij geen verweer tegen een aanpassing aan de waan van de dag, al is die nog zo onchristelijk.

De christelijk-sociale koers die Hoogland bepleit, verdient steun, maar moet wel geworteld zijn in de overtuiging dat die voortvloeit uit het christelijk geloof. Op die manier kan de ChristenUnie zich wapenen tegen de suggestie die binnen en buiten de partij te horen is, namelijk dat christelijk-sociaal een variant is van sociaal-democratisch en dus links. Deze suggestie zegt weinig over de ChristenUnie, want die heeft ook veel standpunten die onmogelijk als ‘links’ zijn te beschouwen. Ze is vooral te verklaren uit de scherpe polarisatie tussen ‘links’ en ‘rechts’ die de Nederlandse maatschappelijke en politieke discussie in haar greep heeft. De associatie tussen ‘christelijk-sociaal’ en ‘links’ lijkt ook een typisch Nederlands verschijnsel te zijn. Duitsland kent een CSU, wat staat voor “Christlich-Soziale Union”. Dat is het Beierse zusje van de CDU, de Duitse christen-democraten. Die partij mag dan ‘christelijk-sociaal’ in haar naam hebben, niemand in Duitsland en daarbuiten zal ooit op het idee komen die partij als ‘links’ te betitelen.

De ChristenUnie doet er dan ook goed aan zich door die beschuldiging niet van de wijs te laten brengen. De partij en haar vertegenwoordigers in politieke organen moeten met de kiezers – en vooral ook degenen die bij de laatste verkiezingen een andere keuze hebben gemaakt – in gesprek gaan, maar niet om zich aan hun opvattingen aan te passen. Ze moet koersvast blijven en haar politieke keuzes vanuit de christelijke overtuiging verantwoorden. Het Landelijk Bestuur heeft een rapport uitgebracht waarin wordt bepleit dat het christelijk profiel van de partij wordt versterkt. “Kiezers willen het warme kloppende hart van de christelijke politiek zien.” In sommige media wordt dit geïnterpreteerd als een afscheid van de christelijk-sociale lijn die de laatste jaren is gevolgd en zelfs een ommezwaai naar rechts. Anderen zien hierin een beweging in de richting van een getuigenispartij à la de SGP. In beide analyses wordt de plank misgeslagen.

Het rapport bepleit niet het roer radicaal om te gooien. Voorzitter Peter Blokhuis zegt: “De fractie zal elk voorstel van dit kabinet constructief beoordelen en waar mogelijk steunen. Dat hebben we altijd gedaan. Maar niet zonder kritiek: als het speciaal onderwijs hard wordt getroffen of het persoonsgebonden budget van kwetsbare mensen wordt aangetast, zullen we alternatieven aandragen.” Het gaat er niet om de koers te wijzigen, maar het doel is de bestaande koers meer vanuit de christelijke uitgangspunten te beargumenteren. Maakt dat de ChristenUnie tot een getuigenispartij, die zich daarmee buitenspel plaatst als coalitiepartner? Dat zou een verkeerde conclusie zijn. Een partij die haar ideologisch blazoen oppoetst, komt daarmee nog niet in de politieke woestijn terecht. Er was een tijd dat alle partijen een duidelijk ideologisch profiel hadden, maar dat verhinderde hen niet in coalitieverband samen te werken. Het is eerder omgekeerd: wanneer een politieke partij een helder profiel heeft, kan ze zich veroorloven compromissen te sluiten, omdat voor de kiezer het verschil tussen ideaal en werkelijkheid – oftewel: het eigen standpunt en het compromis – volstrekt helder is. Voorwaarde is wel dat een partij erin slaagt haar principieel gemotiveerde opvattingen in concrete standpunten te vertalen.

De ChristenUnie hoeft niet op zoek naar de C. Die behoort tot de grondslag en daarmee tot het wezen van de partij. Zonder de C verliest de ChristenUnie haar bestaansrecht. En zonder sociaal profiel verliest ze het recht zich christelijk te noemen. Want ‘sociaal’ is niet links, maar is een wezenskenmerk van christelijke politiek.

De nachtmerrie van rechts

Geplaatst 6 maart 2011 door Johan van Veen
Categorieën: maatschappij, politiek

Tags: , , , , , , , , ,

“Een nachtmerrie”, zo noemde minister-president Rutte de gevangenneming van drie Nederlandse militairen bij een reddingsoperatie in Libië. Daar valt in te komen. Maar de nachtmerrie begon al eerder. Die begon toen in islamitische landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika gewone burgers de straat opgingen om zich van de dictators te ontdoen, die hun land en hun bevolking als hun privébezit beschouwden. Aanhangers van de PVV kijken waarschijnlijk met het zweet in hun handen naar de televisie die laat zien hoe moslims zich inzetten voor vrijheid en democratie. Dat was niet helemaal de bedoeling.

De commentaren uit de rechtse hoek waren in de afgelopen weken dan ook uitgesproken zuinig. Toen in Egypte burgers dag in dag uit zich op het Tahrirplein verzamelden in hun pogingen president Mubarak te verdrijven wist premier Rutte niet veel meer te zeggen dan dat je er niet aan moet denken dat nu de Moslimbroederschap aan de macht zou komen. En later deed Geert Wilders al even zuinig toen het over Libië ging. Weliswaar liet hij weten blij te zijn dat de Libiërs zich tegen de dictatuur van Gadhafi verzetten, maar hij ontkrachtte die opmerking direct door de vrees te uiten dat het na Gadhafi nog slechter zou worden. Misschien kan hij eens aan Libiërs uitleggen hoe het in hun land nog slechter zou kunnen gaan.

Het is wel begrijpelijk dat rechts wat zenuwachtig wordt. Elke keer dat een moslimbevolking in opstand komt tegen een autoritair regime wordt een stukje van het fundament onder de ideologie van de onverenigbaarheid van islam en democratie uitgetrokken. En wanneer in islamitische landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika inderdaad een vorm van democratie met burgerlijke vrijheden zou ontstaan, wordt die ideologie in haar kern aangetast. En dat is alarmerend voor rechts, want daaraan ontleent de PVV voor een belangrijk deel haar bestaansrecht.

Wilders kijkt naar het buitenland vanuit binnenlands perspectief en buitenlandse politiek is voor hem vooral binnenlandse politiek. De belangstelling van zijn aanhang houdt tenslotte bij de grens van Nederland op. Autoritaire regimes in de islamitische wereld zijn koren op de molen van zijn binnenlandse anti-islamagenda. Uit dat oogpunt is zijn zuinige commentaar op de opstand in Libië goed te begrijpen. Merkwaardiger is de terughoudendheid in het liberale kamp. Premier Rutte heeft steeds gezegd dat hij – in tegenstelling tot Wilders – de islam niet als een politieke ideologie, maar als een religie beschouwt. Vanwaar dan zijn scepsis?

Het is op zichzelf helemaal niet onverstandig te waarschuwen tegen euforie. Het is nogal naïef te denken dat binnen een paar jaar in het Midden-Oosten en Noord-Afrika democratieën naar westerse snit zullen ontstaan. Waar – buiten Europa en Noord-Amerika – bestaan die overigens? En wanneer er echte vrije verkiezingen zouden plaatsvinden is dat nog helemaal geen garantie dat die tot een echt democratisch politiek systeem leiden. De verkiezingsoverwinning van Hamas in de Palestijnse gebieden is daarvan een illustratie. Dat maakt de terughoudendheid van Rutte wel te begrijpen.

Maar de machtspositie van Hamas is wel de uitkomst van verkiezingen geweest waarop juist door het Westen is aangedrongen. Het is toch wel merkwaardig dat een politicus die een ideologie aanhangt die op de idee van de volkssoevereiniteit is gebaseerd er zoveel moeite mee heeft de consequenties van die volkssoevereiniteit te accepteren. Juist zo iemand zou de uitkomst van een democratisch proces moeten aanvaarden, ook al bevalt die hem niet. De verklaring voor Ruttes zuinigheid is voor een belangrijk deel te verklaren vanuit het materialisme dat de VVD geheel heeft doortrokken. Opstanden en revoluties leiden tot onrust in de wereldeconomie. Bovendien brengen ze vaak vluchtelingenstromen op gang. De liberalen zien met angst en beven het moment tegemoet dat Nederland wordt gevraagd in de buidel te tasten om de daardoor ontstane problemen te lijf te gaan. Nog erger is het wanneer Nederland het verzoek zou krijgen vluchtelingen op te nemen. Nog voordat er van een echt probleem sprake was werd al beklemtoond dat vluchtelingen toch vooral in de regio opgevangen zouden moeten worden. Dat werd dan wel van het schoonklinkende argument voorzien dat dit voor de vluchtelingen zelf het beste was. Maar dat is toch vooral een schijnargument – de betrokkenen zelf is niets gevraagd.

Dat materialisme is overigens ook één van de kenmerken van de PVV. Dat is niet vreemd wanneer men bedenkt dat Wilders zijn politieke carrière in de VVD is begonnen. De PVV slaat dan ook regelmatig op de materialistische trom, bijvoorbeeld wanneer ze de kiezers ervan probeert te overtuigen dat niet-westerse allochtonen – lees: moslims – een onevenredig groot beroep doen op de sociale voorzieningen waarvoor zij – de ‘hardwerkende Nederlanders’ – moeten dokken. En dan wordt ineens ook begrijpelijk waarom binnen de VVD zo weinig weerstand bestaat tegen het politieke bondgenootschap met de VVD. Xenofobie en materialisme gaan uitstekend samen.


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.