Historisch, uniek – dat waren slechts twee van de kwalificaties die gebruikt werden om de betekenis van het financiële akkoord tussen de twee regeringspartijen en de drie oppositiepartijen D66, GroenLinks en de ChristenUnie in de laatste week van april te typeren. Uniek en historisch was het zeker – zoiets was nog niet eerder vertoond. In de pers verschenen beschouwingen waarin het woord ‘historisch’ ook in andere zin gebruikt werd: de manier waarop het akkoord tot stand gekomen was werd gezien als een omslag in de politieke ontwikkeling van Nederland. Trouw-columnist Hans Goslinga sprak van een “herovering van het midden” die hij als “Haagse Lente” typeerde (28 april). Sommige analisten zien al een nieuwe coalitie opdoemen die na de verkiezingen aan de slag kan. Daarmee lopen ze wel erg hard van stapel. Een beetje nuchterheid is hier op haar plaats.
Het akkoord is allereerst het resultaat van politieke omstandigheden waarop het kabinet en de twee regeringspartijen geen greep hadden. De val van het kabinet hadden VVD en CDA afhankelijk gemaakt van de medewerking van oppositiepartijen. Alleen op die manier kon worden voldaan aan de eisen van het kabinet aan zichzelf en van de Europese Unie aan Nederland. De urgentie van een uitweg uit de financiële problemen leidde ertoe dat zelfs de VVD bereid was elementen in het akkoord te slikken die strijdig zijn met haar opvattingen. Een tweede belangrijke factor is het feit dat het akkoord een beperkte reikwijdte heeft: het gaat alleen om financieel-economische aangelegenheden. Juist op dat vlak kunnen D66, GroenLinks en de ChristenUnie elkaar in grote mate vinden. De eensgezindheid die daarvan het gevolg was, ontnam de regeringspartijen en het demissionaire kabinet de mogelijkheid hen tegen elkaar uit te spelen. Deze konden daardoor een pakket met wensen op tafel leggen dat het kabinet alleen op straffe van mislukking en dus van een nationale en Europese blamage kon afwijzen.
Dit geeft ook direct aan waarom er geen enkele reden is achter het akkoord de contouren van een nieuwe coalitie te zien opdoemen. Wanneer wordt onderhandeld over een regeerakkoord komt een breed scala aan onderwerpen aan de orde. Vooral over niet-materiële kwesties bestaan er fundamentele verschillen van inzicht tussen enerzijds D66 en GroenLinks en anderzijds de ChristenUnie en deels ook het CDA. En de drie oppositiepartijen staan op hun beurt weer diametraal tegenover de VVD ten aanzien van zaken als immigratie en integratie of justitie en veiligheid. De vraag werd opgeworpen waarom deze variant na de vorige verkiezingen niet is onderzocht. Die is wel interessant, maar niet relevant: de kans is klein dat zo’n onderzoek een stabiel kabinet zou hebben opgeleverd. Ten overvloede heeft de politiek leider van GroenLinks, Jolande Sap, nog eens onderstreept dat haar voorkeur uitgaat naar een kabinet met de PvdA.
Dat wil niet zeggen dat de gebeurtenissen van de afgelopen week geen verderstrekkende invloed op het politieke landschap van de komende jaren zouden kunnen hebben. Dat betreft dan vooral de verhouding tussen ‘links’ en ‘rechts’. Sinds de Tweede Wereldoorlog is Nederland meestal bestuurd door een centrum-rechtse coalitie. Daarin speelden CDA (of haar voorgangers) en de VVD de hoofdrol. Wanneer zij te weinig zetels kregen voor een parlementaire meerderheid mocht D66 aanschuiven. Omdat de politieke posities van CDA en VVD niet fundamenteel verschilden, waren ze min of meer elkaars natuurlijke bomdgenoten. Beide dekten het politieke spectrum van het centrum tot de rechterzijde af. Dat veranderde in het begin van deze eeuw. Het populisme kwam op en de flanken op ‘links’ en ‘rechts’ werden versterkt ten koste van het midden. Om zich tegen de opkomst van het ‘rechtse’ populisme – in casu de PVV – te wapenen, bewoog vooral de VVD zich naar rechts. Het CDA volgde haar, eveneens als antwoord op de aantrekkingskracht van de PVV, vooral in de zuidelijke provincies, maar ook om te voorkomen dat ‘rechtse’ CDA-kiezers naar de VVD zouden overlopen. Het leidde tot winst voor de VVD, maar tot verlies van het CDA, terwijl de verrechtsing van deze twee partijen de opkomst van de PVV niet verhinderde. Door de versnippering van het ‘rechtse’ kamp kwamen de twee partijen niet aan een meerderheid. Het gevolg was dat ze voor een coalitie waren aangewezen op de PVV, aangezien ze voor andere partijen te ‘rechts’ waren geworden. Op deze wijze kwamen VVD en CDA in de houdgreep van de partij die ze op een afstand hadden willen houden.
Terwijl voor het bestrijden van de financiële crisis een zo breed mogelijk draagvlak gewenst was, kozen Mark Rutte en Maxime Verhagen voor een kabinet met gedoogsteun van de PVV. Dat werd door aanhangers en critici als onversneden ‘rechts’ getypeerd. Die typering klopte echter maar ten dele. Ze ging op voor onderwerpen als immigratie en integratie, veiligheid en justitie, de visie op subsidies, op kunst en cultuur en natuur en milieu. Maar op sociaal-economisch gebied liet het programma van de PVV een mengeling van ‘rechtse’ en ‘linkse’ elementen zien. De laastgenoemde hadden geen directe invloed op het kabinetsbeleid, maar zorgden er wel voor dat verschillende door VVD en CDA vurig gewenste hervormingen niet van de grond kwamen. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat in Nederland geen meerderheid bestaat voor een puur ‘rechts’ beleid.
Inmiddels heeft juist deze tweeslachtigheid in het PVV-programma ervoor gezorgd dat de ‘rechtse’ coalitie roemloos ten onder ging. En dat zou verderstrekkende gevolgen kunnen hebben dan de val van ‘zomaar’ een kabinet. VVD en CDA hebben geprobeerd te regeren met de PVV, maar dat experiment is mislukt. Het is dan ook niet te verwachten dat dit na de verkiezingen wordt herhaald. Daardoor heeft vooral de VVD een probleem. Ze is de laatste jaren zover naar ‘rechts’ opgeschoven dat ze voor de partijen in het centrum weinig aantrekkelijk is. Anderzijds kan ze geen vèrgaande concessies doen zonder zich ongeloofwaardig te maken tegenover haar kiezers. Het is niet uit te sluiten dat de PVV bij de komende verkiezingen een deel van haar aanhang kwijtraakt, maar de afhakers zullen lang niet allemaal naar de VVD overlopen. Een deel zal waarschijnlijk bij de SP terechtkomen. Een eventueel verval van de PVV levert dus geen stabiele ‘rechtse’ meerderheid op, temeer niet omdat niet te verwachten valt dat het CDA tot haar vroegere sterkte kan terugkeren. Bovendien is de rechtervleugel binnen het CDA, die de gedoogconstructie met de PVV steunde, door het debacle verzwakt, terwijl de grote minderheid die deze samenwerking afwees, zich bevestigd weet in haar afwijzing. De ‘herbronning’ van het CDA maakt haar een minder natuurlijke bondgenoot van een naar ‘rechts’ opgeschoven VVD; ze zal eerder een samenwerking in het centrum zoeken.
Premier Rutte presenteerde het programma van deze coalitie aanvankelijk als iets waarbij ‘rechts’ Nederland zijn vingers zou kunnen aflikken. Hij had kunnen en moeten weten dat populistische partijen – en zeker partijen die geheel geconcentreerd zijn rond één persoon – per definitie onbetrouwbare partners zijn, vooral in kwade dagen. Als gevolg daarvan heeft ‘rechts’ Nederland maar weinig reden de vingers af te likken. De verkiezingen zouden er inderdaad toe kunnen leiden dat het centrum van de macht weer in het midden komt te liggen. Dat is voor ‘rechts’ Nederland niet aangenaam: in plaats van de vingers af te likken moet het dan op een houtje bijten. Maar voor het aanzien van de politiek en de maatschappelijke vrede zou het een zegen zijn.