Nederland heeft geen PVVdA nodig

Tags

, , ,

Door heel Europa heen zit de sociaal-democratie in de versukkeling. Meer dan welke andere politieke stroming ook lijkt ze te lijden te hebben van de toenemende aantrekkingskracht van populistische partijen. In Nederland manifesteert zich dat in de teloorgang van de PvdA. Bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen boekte ze het slechtste resultaat in haar geschiedenis en bij de recente gemeenteraadsverkiezingen tekende zich nauwelijks echt herstel af.

Dat de sociaal-democratie last heeft van het populisme, lijkt vreemd, want de meeste populistische partijen bevinden zich aan de rechterkant – en niet zelden de uiterste rechterkant – van het politieke spectrum. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat kiezers die ooit hun stem aan een linkse partij gaven, zich nu aan de rechterkant van het politieke spectrum bevinden?

Analyses van de aanhang van populistische partijen laten zien dat die hun stemmers voor het overgrote deel uit het lager opgeleide en lager betaalde segment van de bevolking betrekken. Ze hebben met succes de indruk weten te wekken dat ze opkomen voor de belangen van de ‘kleine man’ en in hun stellingnames lijken ze niet zelden in de buurt van linksgeoriënteerde – vaak eveneens nogal populistische – partijen uit te komen, ook al laat het concrete stemgedrag vaak iets anders zien. Belangrijker is in dit verband dat ze vanouds sociaal-democratische kiezers ervan hebben weten te overtuigen dat hun belangen bij hen in betere handen zijn, omdat zij opkomen voor de traditionele aanhang van de sociaal-democratie: de witte arbeider.

Het is de kaart van de identiteit die sociaal-democratische partijen kwetsbaar maakt. Want naarmate de emancipatie van de arbeider voortschreed, verschoof de aandacht van zulke partijen naar (etnische) minderheden, wier positie net zo kwetsbaar was als vroeger die van de witte arbeider. Dat was zo in de tijd dat er nog gesproken werd over ‘gastarbeiders’ en dat is niet substantieel veranderd in deze tijd, nu de ‘gastarbeider’ heeft plaatsgemaakt voor de ‘allochtoon’ of de ‘Nederlander van allochtone afkomst’.

Terwijl vroeger de gastarbeiders geen Nederlands staatsburger waren en dus geen stemrecht hadden, wonen veel allochtonen nu al bijna hun hele leven hier of zijn hier zelfs geboren. Daardoor hebben ze stemrecht en daarmee zijn ze een factor van politiek belang geworden. In Nederland heeft de PvdA zich altijd voor hen ingezet en dat heeft ertoe geleid dat het overgrote deel van de allochtonen de PvdA zijn stem gaf. Maar inmiddels zijn er onder allochtonen twee ontwikkelingen merkbaar die tot spanningen met de PvdA hebben geleid.

Er zijn in allochtone kring steeds meer hoger opgeleiden gekomen. Die zijn geëmancipeerd en dus mondiger en assertiever geworden. Ze nemen er geen genoegen mee dat de PvdA voor hun economische belangen opkomt, maar willen zelf meepraten en meebeslissen. Dat heeft zijn weerslag gevonden in een groeiend aantal allochtonen op kandidatenlijsten van de PvdA voor gemeenteraden, Provinciale Staten en de Tweede Kamer. Maar dat levert wel de nodige spanningen op.

Die hebben te maken met cultuur en religie. Het groeiende zelfbewustzijn van allochtonen heeft ertoe geleid dat ze opkomen voor de gelijkberechtiging van hun cultuur, inclusief elementen die in meerdere of mindere mate afwijken van wat in Nederland gebruikelijk is of was. Daar zit ook een religieuze kant aan. Een belangrijk deel van de allochtonen in ons land, en waarschijnlijk de meerderheid van die allochtonen, die zich altijd bij de PvdA hebben thuisgevoeld, is aanhanger van de islam. Niet voor iedereen is die religieuze overtuiging even belangrijk, niet iedereen wil die laten doorwerken in zijn politieke stellingnames en bovendien is de islam bepaald geen koekoek één zang. Maar er is onmiskenbaar sprake van een toenemend religieus bewustzijn en van de overtuiging dat daarvoor binnen de Nederlandse samenleving en ook binnen een partij als de PvdA ruimte moet zijn. In de praktijk valt dat toch vaak tegen.

Een bondgenootschap tussen een seculiere partij en moslims, die waarde hechten aan hun religie, is ook alles behalve natuurlijk. Weliswaar speelden christenen een niet onbelangrijke rol in de vroege geschiedenis van de PvdA, toen die vlak na de Tweede Wereldoorlog zich omvormde van SDAP tot PvdA (de zogenaamde ‘doorbraak’), maar in de loop van de geschiedenis zijn ze steeds minder zichtbaar geworden. Vooral de opkomst van Nieuw Links heeft een belangrijke rol gespeeld in de verdere secularisering van de PvdA. De partij heeft geen affiniteit met religie en voelt zich dus ongemakkelijk bij uitlatingen en activiteiten van partijleden en haar vertegenwoordigers in politieke organen, waaruit een religieuze, tegenwoordig vooral islamitische, overtuiging naar voren komt.

De PvdA zit nu in feite tussen hamer en aambeeld. Aan de ene kant wil ze de stem van de allochtonen niet verliezen, aan de andere kant voelt ze de hete adem van de populistische partijen in de nek, die haar verwijten de belangen van de witte gewone man op te offeren aan die van mensen, die – naar hun overtuiging – hier hooguit te gast zijn en zich moeten assimileren in wat door hen als ‘de Nederlandse cultuur’ wordt beschouwd.

Voor de sociaal-democratie is het meest problematische dat rechts-populistische partijen steeds meer de politieke discussie bepalen. Ze hebben een substantieel deel van de kiezers wijsgemaakt dat de problemen, waarmee ze geconfronteerd worden, te wijten zijn aan de aanwezigheid van allochtonen. Niet alleen wordt vrijwel elk concreet probleem – of het nu om werkgelegenheid, gezondheidszorg of huisvesting gaat – in direct verband gebracht met wat men presenteert als het ‘voortrekken’ of ‘pamperen’ van allochtonen. Die problemen, die vrijwel door niemand worden ontkend, worden omgemunt tot een algemeen gevoel van onvrede, waardoor men zich niet meer thuis voelt in ‘eigen’ land. Dat kan worden samengevat in de bekende slogan “eigen volk eerst” en het spreken over “echte Nederlanders”.

En, naar goed sociaal-democratisch gebruik, zijn er altijd wel partijleden – prominent of minder prominent – te vinden, die bereid zijn nog wat zout in de wonden te wrijven. Neem nu zo’n stuk als op 8 april j.l. in de Volkskrant verscheen. De schrijver, Wimar Bolhuis, wordt gepresenteerd als econoom, bestuurskundige en PvdA-lid. Dat laatste zou je niet zeggen, als het er niet bij stond. Want zijn betoog wijkt niet fundamenteel af van wat in de rechterkant van het politieke spectrum gemeengoed is. De maatschappij raakt steeds meer in het ongerede – politiek, economisch, sociaal en cultureel – door de toestroom en aanwezigheid van mensen die er een andere cultuur op na houden dan onder ons gebruikelijk is.

Maar met dat laatste beginnen al direct de problemen. De schrijver vindt het niet nodig het begrip ‘cultuur’ nader te definiëren en spreekt onbekommerd over ‘culturele groepsnormen’. Hij legt niet uit wat hij daaronder verstaat, waarschijnlijk omdat hij er van uitgaat dat die algemeen bekend zijn. Dat is hoogst twijfelachtig. Want als hij over ‘groepsnormen’ spreekt, geeft dat al aan dat het om een groep gaat. Maar welke dan? Ik vermoed dat hij de gezeten witte bevolking bedoelt. Nog afgezien daarvan dat de ‘Nederlandse cultuur’ meer omvat dan die van de witte burgers, lijkt hij van mening dat die laatste verbonden worden door een gemeenschappelijke cultuur met daaraan verbonden normen en waarden. Daar wreekt zich dat hij niet nader specificeert wat hij onder ‘cultuur’ verstaat. Het is een achterhaald idee dat er zoiets als de Nederlandse cultuur zou bestaan. Daarvan is allang geen sprake meer. Die gemeenschappelijke cultuur is teloor gegaan al vèr voor hier mensen uit andere culturen hun opwachting maakten. Wellicht moeten we zelfs zeggen dat er nooit een gemeenschappelijke cultuur geweest is. Tot de jaren ’80/’90 van de vorige eeuw werd de Nederlandse samenleving gekenmerkt door de verzuiling. Zeker in de eerste helft van de 20e eeuw waren de contacten tussen degenen die tot verschillende zuilen behoorden, nogal beperkt. Die contacten waren er vooral aan de bovenkant van die zuilen, tussen de respectievelijke politieke en maatschappelijke ‘leiders’.

Het is waar dat er bepaalde gemeenschappelijke waarden bestonden, maar die zijn vooral sinds de jaren ’60 aan sterke erosie onderhevig geweest. Dat is niet het gevolg van de instroom van gastarbeiders of later vluchtelingen en asielzoekers, maar vooral van de secularisatie en de culturele revolutie van de jaren ’60. De culturele versplintering is vrijwel geheel van Nederlandse, autochtone makelij.

Nu kun je zo’n stuk naast je neerleggen omdat het betoog grotendeels gebaseerd is op een misverstand. Maar dat zou niet terecht zijn. Het stuk laat namelijk zien hoezeer de rechtse populistische partijen er in geslaagd zijn het politieke discours naar eigen smaak te hervormen. Bolhuis stelt dat de solidariteit van de ‘sociaal-voelende middenklasse’, die eigenlijk bij de PvdA thuishoort, grenzen kent. “Want solidariteit kost belastinggeld en in ruil vraagt men bescherming van economisch en cultureel groepsbelang. Daarom wil deze middenklasse niet solidair zijn met uitkeringsfraudeurs of werkweigeraars. Of met onverbeterlijke straatschoffies of mensen met onderdrukkende culturele gebruiken. Ook wil men niet solidair zijn met publiek op te vangen gelukszoekers, terwijl de eigen familie geen huis kan krijgen. De middenklasse wil dat de politiek haar in deze situaties beschermt.”

Ook al noemt hij geen namen, het is uit het verloop van het betoog volstrekt duidelijk dat hij doelt op allochtonen van Marokkaanse en Turkse afkomst en in het algemeen mensen die de islam aanhangen. Die worden generaliserend weggezet als uitkeringsfraudeurs en werkweigeraars. Dat is wat rechts-nationalistische krachten in politiek en samenleving ons willen laten geloven. In feite is uitkeringsfraude niet cultureel gebonden en komt die onder alle bevolkingsgroepen voor. Bovendien vormt het slechts een klein deel van de fraude waarvan de Nederlandse samenleving de nadelen ondervindt. Zowel procentueel als in geld uitgedrukt is belastingfraude aanzienlijk omvangrijker en schadelijker. Maar daar heeft het rechtse segment van het politieke spectrum dan weer aanzienlijk minder moeite mee. Van werkweigering kan pas gesproken worden, wanneer iedereen gelijke kansen op de arbeidsmarkt heeft. Daarvan is echter geen sprake, zoals niet lang geleden uit een reportage over uitzendbureaus bleek. Zelfs het vinden van een stageplaats is voor jongeren met een allochtone achtergrond al een aanzienlijk groter probleem dan voor hun witte leeftijdgenoten.

“Zorgen dat migranten geen Nederlands leren, moslims hun kinderen autoritair opvoeden, islamitische mannen hun vrouwen onderdrukken en de Arabische leefwijze onverenigbaar is met de Nederlandse leefwijze zijn dominant.” Of die zorgen dominant zijn, moet eerst bewezen worden. Dit lijkt vooral een rechts-nationalistische ‘frame’. Dat migranten Nederlands leren is van groot belang, maar dat wordt hun niet bepaald gemakkelijk gemaakt. Of moslims hun kinderen autoritair opvoeden, gaat de samenleving als geheel niets aan, evenmin als de autoritaire opvoeding in niet-islamitische milieus. Dat islamitische mannen hun vrouwen onderdrukken wordt als feit gepresenteerd, maar is in werkelijkheid een mening. Wat onderdrukking is, hangt ervan af welke opvatting over de verhoudingen binnen het huwelijk je hebt. En daarover lopen in Nederland de meningen uiteen, ook onder autochtonen.

Het spreken over de ‘Nederlandse leefwijze’ laat precies zien waaraan het hier schort. Die levenswijze bestaat namelijk niet. Normen en waarden zijn niet nationaal van aard, maar vloeien voort uit een levens- en wereldbeschouwing. Er zijn christelijke, joodse, islamitische en boeddhistische normen en waarden, en vast nog veel meer. Die krijgen – op grond van en binnen de grenzen van de wet – alle ruimte binnen de Nederlandse samenleving. Als iets kenmerkend is voor de Nederlandse cultuur is het de wil en het vermogen om het – met alle, soms fundamentele, verschillen – met elkaar te rooien en elkaar zoveel als mogelijk is de ruimte te geven.

Alle partijen – christelijk, sociaal-democratisch en liberaal – zouden zich daarvoor moeten inzetten. Aan een PVVdA heeft Nederland echt geen behoefte.

Advertenties

Uitzendbureaus: u vraagt en wij draaien

Tags

, , , , , , , ,

Het TV-programma Radar stelt regelmatig misstanden aan de kaak. Daarbij gaat het in de regel om de manier waarop werkgevers of verkopers van goederen of diensten te werk gaan. Niet zelden wordt daarbij gebruik gemaakt van verborgen camera’s of wordt het onderwerp van onderzoek door medewerkers undercover benaderd. Dat was ook het geval bij de voorbereiding van de uitzending van maandag 29 januari. Daarin werd de discriminatie van werkzoekenden met een migratieachtergrond door uitzendbureaus aan de kaak gesteld.

In dit geval pretendeerden de medewerkers niet dat ze werk zochten, maar dat ze werkgevers waren. Ze vroegen hun contactpersonen bij in totaal 78 uitzendbureaus of die bij de selectie van kandidaten rekening konden houden met hun ‘negatieve ervaringen’ met Marokkanen, Turken of Surinamers. Bijna de helft gaf hierop een bevestigend antwoord. Iets meer dan een derde weigerde, terwijl de overigen de beslissing aan de werkgever lieten. De ‘gewraakte’ kandidaten zouden wel op de lijst komen te staan, maar de werkgever kon zelf beslissen welke daarvan hij zou aannemen.

Je zou dit schokkend kunnen noemen, ware het niet dat het onderzoek weinig nieuws opleverde. Het is een al jaren bestaand probleem, dat ook al verschillende keren is aangekaart. Een vergelijkbaar onderzoek uit 2011 door sociologen van de Vrije Universiteit leverde een nog slechter resultaat op. In die zin zou je van vooruitgang kunnen spreken, maar die is dan wel van marginale omvang. Hoe groot het probleem is, wordt nog eens onderstreept door een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2012. “Twintig perfect Nederlands sprekende acteurs met vijf verschillende etnische achtergronden bezochten 460 uitzendbureaus. Ze hadden ieder exact hetzelfde cv bij zich. Van de autochtone sollicitanten kreeg 44 procent werk aangeboden na een gesprek bij een uitzendbureau, terwijl van de werkzoekenden met een niet-westerse achtergrond maar 28 procent aan de slag kon”, zo meldt de Volkskrant (30.1.18).

De resultaten wijzen allemaal in dezelfde richting. Gezien de aantallen kun je niet beweren dat het hier om incidenten gaat. Wanneer bijna de helft van de uitzendbureaus bereid is te discrimineren op grond van etniciteit, is er sprake van een structureel probleem. Natuurlijk reageren woordvoerders van de brancheorganisaties geschokt. “Directeur Jurriën Koops van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) noemt de discriminatie in een verklaring ‘onacceptabel en teleurstellend’. Hij wijst erop dat de ABU eerder al een aantal maatregelen nam om deze discriminerende praktijken te bestrijden. Zo stelde de bond gedragsregels op, geeft zij workshops over het onderwerp en moeten leden kunnen aantonen dat ze een beleid hebben ter voorkoming van discriminatie van uitzendkrachten” (Volkskrant, 30.1.18). Kennelijk zijn al die maatregelen onvoldoende.

Discriminatie zal zelden tot het beleid van het desbetreffende uitzendbureau behoren. Het kan heel goed zijn dat een medewerker te coulant reageert, wanneer hij of zij door een werkgever wordt benaderd. De vraag is wel, of medewerkers voldoende geïnstrueerd worden en vooral of ze, wanneer ze over deze kwestie met een werkgever in conflict raken, voldoende door hun leidinggevenden gesteund worden. Het zou aan te bevelen zijn in zulk geval het contact over te dragen aan een hoger geplaatste, die wellicht beter in staat is het beleid van het uitzendbureau te verdedigen en sterker in zijn schoenen staat.

Maar gezien de resultaten van de onderzoeken is de conclusie onontkoombaar dat er wel sprake is van een structureel probleem. Gedragsregels en workshops zetten weinig zoden aan de dijk, wanneer het officiële beleid en de werkelijkheid van elke dag uiteen lopen. “Uit de door Radar uitgezonden telefoongesprekken blijkt dat de intercedenten, de uitzendbureau-medewerkers die het contact tussen werkgevers en uitzendkrachten onderhouden, vaak wel weten dat hun gedrag niet door de beugel kan. Dat weerhoudt hen er echter niet van sollicitanten van Marokkaanse, Surinaamse of Turkse afkomst uit te sluiten. Of zoals één intercedent het verwoordde: ‘Wij kunnen overal rekening mee houden, zolang het maar niet op papier gezet wordt'” (Volkskrant, 30.1.18).

Brancheorganisaties moeten steviger maatregelen nemen. Wanneer aangetoond wordt dat één van de aangesloten bureaus zich schuldig maakt aan de hierboven beschreven praktijken, zou hun het lidmaatschap kunnen worden afgenomen. Vooralsnog lijkt het niet waarschijnlijk dat dit zal gebeuren. Volgens een woordvoerder van de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU) is royement geen optie. “‘Dan zijn we de grip helemaal kwijt. Liever bieden we deze bedrijven de noodzakelijke hulp.'”

Bij mijn weten kan in Nederland iedereen een uitzendbureau beginnen. Dat lijkt niet afhankelijk te zijn van een soort van erkenning. Een zoekvraag op internet naar “uitzendbureaus” en “erkenning” leverde alleen links naar Belgische sites op. Kennelijk bestaat er bij onze zuiderburen wel een register van erkende uitzendbureaus. Dat verdient navolging. Uitzendbureaus moeten dan voldoen aan een aantal voorwaarden om een erkende status te verwerven. Sociale diensten en reïntegratiebedrijven die in opdracht van de overheid proberen werkzoekenden aan betaald werk te helpen en hen in dat kader verplichten zich bij een uitzendbureau in te schrijven, zouden alleen met erkende bureaus zaken moeten doen.

Een keurmerk, zoals die in verschillende branches bestaat, voldoet niet. Er bestaat ook een keurmerk voor uitzendbureaus, maar controle blijft zo goed als geheel achterwege. “”Wij doen geen specifieke controle op discriminatie. Hoe zou je dat ook kunnen toetsen, of er gediscrimineerd wordt?” zegt John Verboom, kwaliteitsmanager bij Q-inspectie, een van de bedrijven die het kwaliteitskeurmerk controleren” (NOS, 31.1.18). Dan heeft een keurmerk dus geen zin.

Het zou echter niet juist zijn met de beschuldigende vinger uitsluitend naar de uitzendbranche te wijzen. Want discrimineren doen ze niet uit eigen beweging. Ze passen zich aan de wensen van werkgevers aan. De klant is koning. Dat betekent: u vraagt en wij draaien. Daar zit dus het echte probleem. Die werkgevers beroepen zich ter rechtvaardiging van hun wensen op ‘negatieve ervaringen’ met Marokkanen, Turken of Surinamers. Het is de vraag of dat de echte reden is. Maar laten we aannemen dat een werkgever inderdaad een negatieve ervaring met bijvoorbeeld een Turkse werknemer heeft gehad. Dan rechtvaardigt dat nog niet de categorische uitsluiting van elke werkzoekende van Turkse afkomst. Werkgevers zullen ook best eens een negatieve ervaring met een roomblanke, autochtone Nederlander hebben gehad. Maar geen enkele werkgever trekt daaruit de conclusie dat geen enkele roomblanke, autochtone Nederlander nog voor vacatures in aanmerking komt. Het vertalen van een negatieve ervaring met één individu naar de hele etnische groep waartoe hij behoort, wordt uitsluitend gereserveerd voor mensen met een migratieachtergrond.

Hier ligt een taak voor de overheid en voor de werkgeversorganisaties. Ze moeten duidelijk maken dat zulk gedrag niet acceptabel is en daaruit ook consequenties trekken. De overheid moet alerter reageren op signalen van discriminatie en in woord en daad duidelijk maken dat dit niet door de beugel kan. Ze kan besluiten zelf met zulke bedrijven geen zaken meer te doen. Ook juridische stappen moeten niet worden uitgesloten. De werkgevers zouden leden die zich aan discriminatie schuldig maken, kunnen uitsluiten van het lidmaatschap.

Maar uiteindelijk is dit een maatschappelijk probleem. Een bedrijf dat discrimineert, zou alleen al vanwege de maatschappelijke schade zich van de boven beschreven praktijken moeten onthouden. Helaas werkt het klimaat in de huidige samenleving niet mee. Het denken in groepen en het uitsluiten van mensen op grond van kenmerken, die niets met de uitoefening van een beroep van doen hebben, is maatschappelijk en politiek salonfähig geworden. Dat maakt het voor de overheid nog lastiger de discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden. Het publiek aan de schandpaal nagelen van bedrijven die in de werving van hun personeel discrimineren – in modern Nederlands naming en shaming genoemd – helpt niet, wanneer steeds meer mensen etnische profilering aanvaardbaar vinden. Of dat geldt voor een substantieel deel van de Nederlanders of zelfs een meerderheid, is de vraag. Het zou in elk geval goed zijn, wanneer diegenen die hiertegen principieel bezwaar hebben, zich duidelijker zouden uitspreken, ook op sociale media. Dat is een kenmerk van een weerbare rechtsstaat.

Rechtsstaat als Leitkultur

Tags

, , , , , ,

Na maanden van (in)formatie is het dan zover. Een nieuw kabinet van vier partijen treedt aan. Het zag er lange tijd niet naar uit dat het zou lukken een meerderheidsregering te vormen. Het politieke landschap is dusdanig versplinterd en de opvattingen over een aantal belangrijke kwesties liggen zo ver uiteen dat het uitermate lastig is tot een stabiele meerderheid te komen. Van dat laatste is in feite ook nu geen sprake: een meerderheid van slechts één zetel in de Tweede Kamer kun je moeilijk stabiel noemen.

Direct na de publicatie van het regeerakkoord verschenen in de media lijstjes van winst en verlies: welke punten hadden de verschillende partijen kunnen binnenhalen en waar hadden ze veren moeten laten? Dat is een leuk spelletje, maar weinig relevant. Het voldoet niet alleen maar te plussen en te minnen; het gaat om de samenhang. Er was direct veel verontwaardiging over de verhoging van de BTW. Maar die kan alleen beoordeeld worden, wanneer ook financiële tegemoetkomingen in rekening gebracht worden. Overigens laat ik dit onderwerp hier rusten; van economie en financiën heb ik geen verstand.

De vier regeringspartijen hebben elk een bijeenkomst gehouden om de leden bij te praten en hun de gelegenheid te geven hun mening over het bereikte resultaat te ventileren. Bij die bijeenkomsten bleek nog eens wat door de leden van de verschillende partijen van belang wordt geacht. Het wekt geen verbazing dat bij de VVD vooral de financiële gevolgen van het regeerakkoord aan aan kritisch onderzoek werden onderworpen. Daarin komt tot uiting dat de VVD in de grond van de zaak een materialistische partij is. Het verschil met de ChristenUnie kon nauwelijks groter zijn. Bij haar aanhang stak vooral het uitblijven van een verruiming van het kinderpardon als een graat in de keel. Hier en daar werd de indruk gewekt dat de aanhang van de ChristenUnie vrij kritiekloos de bereikte resultaten en de daardoor mogelijk geworden deelname van de CU aan het kabinet toejuichte. Ik ben er niet bij geweest, want ik ben geen lid van de ChristenUnie; ik moet me dus baseren op wat ik in de reguliere media en op de sociale media heb gelezen. Daaruit heb ik bepaald niet de indruk gekregen dat de leden het resultaat voor zoete koek slikten. De teleurstelling over met name het kinderpardon werd breed gedeeld, ook door de onderhandelaars.

Vooral deze kwestie heeft voor nogal wat onvrede en onrust gezorgd. Verschillende leden lieten weten dat de ChristenUnie vanwege deze kwestie de formatie had moeten laten mislukken. De fractie van de ChristenUnie heeft zich de afgelopen jaren volhardend ingezet voor een verruiming van het kinderpardon. Is het dan niet erg hypocriet deel te nemen aan een kabinet, dat niet bereid is hieraan zelfs maar in de geringste mate tegemoet te komen? Sommigen meenden dat het kinderpardon een speerpunt van de CU was en dat het dus niet meer dan logisch zou zijn geweest hiervan een breekpunt te maken. Hebben ze daar gelijk in?

Het kinderpardon heeft een lange geschiedenis. In eerste aanleg was het een initiatief van de Tweede Kamer. Het bleek al snel dat een definitieve regeling gewenst was. Dat was onderwerp van de onderhandelingen over een coalitie tussen VVD en PvdA, die uiteindelijk resulteerden in het kabinet-Rutte II. Inmiddels is wel duidelijk geworden dat ook de toen afgesproken regeling niet voldoet: teveel kinderen vallen buiten de boot. De Kamer heeft pogingen gedaan dit recht te zetten, maar is daarin niet geslaagd, mede doordat de PvdA haar steun daaraan onthield om haar coalitiepartner niet te ontrieven.

De ChristenUnie was van meet af aan één van de drijvende krachten achter de pogingen het kinderpardon te verruimen. Bij de huidige coalitieonderhandelingen is dat niet gelukt. Voor de VVD is het absoluut onaanvaardbaar en sinds het CDA verder naar rechts is afgebogen, valt ook uit die hoek geen steun te verwachten. Aangezien het, mede vanwege het toenemende isolationisme en de groeiende afkeer van immigratie en asielzoekers, een in hoge mate omstreden onderwerp is geworden, is het niet verbazingwekkend dat deze partijen op dit punt van geen wijken willen weten.

Het kinderpardon is ook in toenemende mate een symbool geworden. Het streven naar verruiming past bij een open houding ten aanzien van immigranten en vluchtelingen, het verzet ertegen is een uiting van geslotenheid tegenover de buitenwereld. Daarmee is het vrijwel onmogelijk op dit punt een compromis te bereiken. Dat symboolkarakter leidt er ook toe dat voorstanders van verruiming van het kinderpardon vooral de ChristenUnie hevige verwijten maken dat ze op dit punt de coalitiebesprekingen niet heeft laten stranden.

Ook wanneer je, zoals de schrijver van dit stuk, van mening bent dat dit een heel belangrijk onderwerp is, zeker voor een christelijke partij, zijn er toch wel een paar kritische kanttekeningen te plaatsen.

De eerste is dat verantwoordelijkheid zich niet beperkt tot datgene wat je als deelnemer aan een coalitie kunt bereiken, maar zich ook uitstrekt tot de gevolgen van het afbreken van coalitiebesprekingen. In het laatste geval was de bestaande regeling in elk geval niet beter geworden. Daarvoor is na de laatste verkiezingen geen meerderheid in de Tweede Kamer meer. Sterker nog, het is bepaald niet denkbeeldig dat de regeling verder zou zijn versoberd of zelfs helemaal zou zijn afgeschaft. Aan de verantwoordelijkheid daarvoor had de ChristenUnie zich niet kunnen onttrekken. Vervolgens moet er op gewezen worden dat de huidige regeling weliswaar niet ideaal is, maar altijd nog beter dan niets. De hoofdverantwoordelijkheid van de CU is dat de regeling niet verslechterd wordt; door haar deelname aan de coalitie kan ze dat tegenhouden. Ze kan echter geen verbetering afdwingen; de verantwoordelijkheid voor het uitblijven van een structurele verbetering ligt bij VVD en CDA.

Het is eigenlijk wel merkwaardig dat het kinderpardon zo’n hoofdpunt van kritiek is geworden. Sommige CU-leden en -stemmers hebben dit tot een soort van sjibboleth verheven. Vanuit de CU en daarmee verwante opiniemakers is en wordt de SGP nogal eens verweten christelijke politiek te reduceren tot enkele punten: abortus, euthanasie, Israël. Die kritiek is terecht: christelijke politiek betreft de volle breedte van de samenleving en is breder dan een paar ethische thema’s. Maar degenen die nu het kinderpardon tot het onderwerp verheffen dat beslissend is voor wel of niet deelnemen aan de coalitie, maken in feite dezelfde fout: het kinderpardon wordt als toetssteen voor ethisch verantwoord politiek handelen gemaakt. Natuurlijk: het gaat hier om het psychisch en soms ook lichamelijk welbevinden van kwetsbare mensen. Maar dat geldt ook voor andere zaken, waarvoor de ChristenUnie zich heeft ingezet, zoals de schuldenproblematiek, mensenhandel en prostitutie en – niet te vergeten – het klimaatbeleid. Zeker bij het laatstgenoemde onderwerpen kan het zelfs letterlijk over leven of dood gaan, zo niet nu dan wel op termijn.

Om leven en dood gaat het zeker bij abortus provocatus. De ChristenUnie zou graag het aantal abortussen willen terugdringen, ook door middel van wetgeving. Maar ze erkent dat de politieke meerderheid daarvoor ontbreekt. Dat weerhoudt haar er niet van aan een coalitie deel te nemen. Voorwaarde is dat de wetgeving niet verder wordt verruimd waardoor het aantal abortussen zou toenemen. Ligt het niet in de rede bij het kinderpardon dezelfde opstelling te kiezen? Waarom zou de ChristenUnie op dit punt onverzoenlijker moeten zijn? Ik wil niet generaliseren, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat in elk geval sommige van de scherpste critici van de opstelling van de CU bij de coalitiebesprekingen aan het terugdringen van de abortuspraktijk wat minder hechten. Die critici bevinden zich vooral aan de linkerzijde van het politieke spectrum, waar ze uit niet-christelijke hoek veel sympathie voor hun inzet voor asielkinderen ontmoeten, maar waar een kritische houding ten opzichte van de abortuspraktijk veel minder op prijs wordt gesteld. Over de inconsequentie van één en ander zal ik hier verder niet uitwijden.

Het bovenstaande betoog impliceert niet dat de deelname van de ChristenUnie aan het kabinet met gejuich moet worden begroet. Ik ben vanaf het begin sceptisch geweest over de coalitiebesprekingen en het resultaat geeft mij geen aanleiding tot groot enthousiasme. Ongetwijfeld zijn er goede resultaten geboekt door de inspanningen van de onderhandelaars. Hoeveel het positieve dat bereikt lijkt te zijn, om het lijf heeft, zal moeten blijken. Laten we het belang van een regeerakkoord vooral niet overschatten. Het zijn intenties, maar het hangt uiteindelijk van de bewindslieden af, wat daarvan wordt gerealiseerd en hoe.

Mijn grootste probleem met het regeerakkoord is de geest van cultureel conservatisme die eruit spreekt. Ik snuif daarin teveel de geur op van de H.J. Schoo-lezing die CDA-leider Sybrand Buma heeft uitgesproken en die terecht op flink wat kritiek is onthaald. Die neigt naar het propageren van een Leitkultur, de opvattingen en gewoonten van de ‘gewone Nederlander’ – wie dat ook mag zijn. Daar komt bij dat de gepubliceerde beleidsplannen een aantal elementen bevatten, die op z’n minst op gespannen voet met de rechtsstaat staan. Als íets een breekpunt zou moeten zijn, is het dat. De ChristenUnie was de enige partij, die in haar verkiezingsprogramma geen enkele maatregel had staan, die inbreuk maakt op de rechtsstaat. Dat is iets om te koesteren. Laten we hopen dat Gert Jan Segers zijn positie als kamerlid zal gebruiken om het kabinet op dat punt bij de les te houden. Hopelijk zijn ook de CU-bewindslieden er alert op dat het kabinetsbeleid binnen de grenzen van de rechtsstaat blijft.

Als er al een Leitkultur is, die verdedigd moet worden, is dat deze, dat in Nederland iedereen in gelijke mate het recht heeft zijn of haar bijdrage aan de maatschappij te leveren. Die moet binnen de grenzen van de rechtsstaat blijven, maar hoeft niet te voldoen aan de normen van een imaginaire, uit politieke overwegingen geconstrueerde ‘joods-christelijke’ cultuur, die noch joods noch christelijk is, maar vooral burgerlijk en van een bekrompen nationalistische geest doortrokken.

Een foute vraag en foute antwoorden

Tags

, , , , , , , ,

Is de islam of zijn moslims een verrijking of een bedreiging van de Nederlandse samenleving? Die vraag wordt steeds vaker gesteld en speelde ook in de recente verkiezingscampagne een rol. Dat die vraag gesteld wordt is voor moslims al pijnlijk genoeg. De antwoorden zijn vaak nog pijnlijker. Ook wanneer politici zeggen dat de islam geen bedreiging is, worden daaraan vaak zoveel kanttekeningen toegevoegd dat moslims daar niet echt blij van kunnen worden.

De vraag is niet alleen pijnlijk, ze is ook fout. En wie een foute vraag stelt, krijgt een fout antwoord.

In Europa en Noord-Amerika was het christendom vele eeuwen de overheersende religie. Inmiddels is dat – zeker voor wat betreft West-Europa – geschiedenis. Maar vrijwel iedereen weet dat het christendom niet bestaat. Het christendom kent een veelheid aan stromingen, van zeer orthodox tot zeer vrijzinnig. Bovendien gaan gelovigen vaak op een heel persoonlijke en individuele manier met hun geloof om. Ook binnen de islam bestaan verschillende stromingen. De twee hoofdstromen kunnen de meeste mensen, die niet helemaal onbekend zijn met religieuze zaken, nog wel onderscheiden. Maar naast soennieten en sjiieten zijn er nog meer stromen en stroompjes en ook binnen de twee hoofdstromen is niet alles koekoek één zang. Helaas gaat dit feit aan de meesten, die zich een oordeel over de islam aanmatigen, voorbij. Wie dus over de islam spreekt, moet duidelijk maken welke vorm van de islam hij bedoelt. De islam bestaat niet.

Radicale moslims hebben de neiging ‘het Westen’ met ‘het christendom’ te identificeren. Gezien het groeiende aantal burgers van Europese en Noordamerikaanse landen dat zichzelf niet meer als christen beschouwt of wier christendom niets met de dogma’s, maar alleen met de historische erfenis van de christelijke cultuur te maken heeft, is dit een misvatting. Maar het is evenzeer een misvatting voetstoots aan te nemen dat regeringen en presidenten van door de islam gedomineerde landen zich bij hun politieke beslissingen en uitspraken geheel door de islam laten leiden. Het feit dat vaak naar de islam wordt verwezen, doet daaraan niets af. Ook vrijwel elke Amerikaanse president afficheert zich als christen, maar in het beleid is daarvan vaak weinig te merken. In Nederland verbergt Mark Rutte niet dat hij lid is van de PKN en zichzelf als gelovig beschouwt. Maar dat heeft geen merkbare gevolgen voor zijn politieke opvattingen.

Nu is het niet zo vreemd dat gedrag met religie in verband wordt gebracht. In feite spreekt daaruit het besef – wellicht onbedoeld – dat het geloof in hoge mate iemands persoonlijkheid en gedrag beïnvloedt of zelfs bepaalt. Dat staat haaks op de hier en daar geventileerde opvatting – vooral populair onder degenen die zich ergeren aan ‘privileges’ van godsdiensten en hun belijders – dat geloof ‘ook maar een mening’ is. Maar dat is nog geen rechtvaardiging elk gedrag of elke uitlating als een direct uitvloeisel van religie te beschouwen. Naast het feit dat er verschillende soorten islam bestaan, komt uit onderzoeken ook naar voren dat moslims – net als christenen – vaak heel persoonlijk met hun geloof omgaan. Wat de één als een noodzakelijk onderdeel van zijn leven als gelovige beschouwt, wordt door een ander verworpen. Bovendien, ieder mens doet dingen die niet in overeenstemming zijn met zijn overtuigingen. Zelfs de grootste optimist zal niet zo stoutmoedig zijn te beweren dat mensen altijd strikt consequent zijn.

Er is een tweede reden waarom de hierboven geciteerde vraag fout is. En die heeft niet alleen betrekking op de islam.

Er was een tijd dat levensbeschouwelijke stromingen of substromingen zich collectief in de samenleving manifesteerden. Dan hebben we het over de tijd van de verzuiling. De belangrijkste stromingen waren die van rooms-katholieken, protestanten en sociaal-democraten. Sommige historici onderscheiden ook een liberale ‘zuil’, maar liberalen ontkenden meestal dat zo’n zuil bestond. Zij pretendeerden de samenleving in de hele breedte te vertegenwoordigen; ze tooiden zich graag met het epitheton ‘algemeen’ (denk aan de AVRO). De verschillende zuilen hadden hun eigen maatschappelijke organisaties en instituties, die ze gebruikten om hun overtuigingen uit te dragen, zoals kranten, tijdschriften en omroepen. Een belangrijke rol speelden de vakbonden. Dat waren echte massaorganisaties, waarmee de zuilen zich in de samenleving manifesteerden. In de tijd van de verzuiling kon men spreken over de bijdrage van de katholieken, de protestanten of de sociaal-democraten aan de samenleving.

Maar de tijd van de verzuiling is voorbij. Levensbeschouwelijke organisaties hebben hun ideologische veren afgeschud of zijn van levensbeschouwelijke kleur verschoten. Daarnaast zijn er ook geen echte massaorganisaties meer. Zelfs de vakbonden kunnen, op grond van hun sterk teruggelopen ledenaantallen, niet meer als zodanig gelden. Daarom kan nu niet meer gesproken worden over de bijdragen van de rooms-katholieken of van andere levensbeschouwelijke stromingen. Daar komt nog bij dat als gevolg van de individualisering degenen die zich tot een levensbeschouwelijke richting rekenen, zo persoonlijk met de daarmee verbonden opvattingen omgaan, dat van een algemene vertegenwoordiging door organisaties nauwelijks meer sprake is.

De instroom van moslims in Nederland vond hoofdzakelijk plaats, toen de verzuiling al op haar retour was. Toen de tijd gekomen was, dat moslims zich gingen organiseren, was het tijdperk van de verzuiling definitief voorbij. Dat betekent dat het gewicht van zulke organisaties evenzeer beperkt is als dat van oudere levensbeschouwelijke organisaties. En van massaorganisaties, zoals de vakbonden ooit waren, is al helemaal geen sprake. Dat is niet alleen te verklaren uit de verdeeldheid binnen islamitische kring, maar ook daaruit dat moslims zich niet kunnen onttrekken aan het individualisme, dat een wezenskenmerk van de moderne westerse samenleving is geworden. Om die reden moet het spreken over de bijdrage van de islam of van de moslims als anachronistisch worden beschouwd.

Tenslotte: de vraag is ook fout omdat ze niet relevant is.

Over weinig wordt zoveel gesproken als over het weer. Vrijwel iedereen vindt daar wel iets van. Niemand vindt het leuk, wanneer de weersomstandigheden bepaalde favoriete bezigheden bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Er wordt dan ook veel over het weer geklaagd. Maar iedereen begrijpt dat zulk geklaag niet relevant is. Het is een uitlaatklep, maar de feiten veranderen er niet van. Er zijn ook geen televisieprogramma’s, waarin mensen wordt gevraagd wat ze van het weer vinden.

Waarom wordt dan wel gevraagd of moslims c.q. de islam een verrijking van de samenleving zijn? Daar mag men van alles van vinden, maar relevant zijn al die meningen niet. Net als katholieken, liberalen, atheïsten en Jehova’s Getuigen maken de moslims deel uit van onze samenleving. Net als het weer is dat een fact of life. Daarover discussiëren wekt de suggestie dat ‘we’ – wie dat ook mogen zijn – daaraan iets kunnen veranderen. Dat is een vergissing. Iedere Nederlandse staatsburger heeft het recht een aandeel aan de maatschappij te leveren. Dat kan door middel van het dagelijks werk, maar ook door deel te nemen aan een politiek debat of aan maatschappelijke actie.

Iedereen mag die bijdragen aan de samenleving positief dan wel negatief waarderen. Dat hangt uiteindelijk af van het standpunt dat men zelf heeft. Het antwoord op de eerder geformuleerde vraag is dus per definitie subjectief. Daarbij dient men zich te realiseren dat ook de eigen bijdrage aan de samenleving niet noodzakelijkerwijze door iedereen wordt gewaardeerd.

Er is maar één objectief criterium om de bijdrage van burgers aan de samenleving te beoordelen. Iedere inwoner van Nederland is verplicht zich aan de wet te conformeren. Die wet heeft alleen betrekking op gedragingen, niet op overtuigingen. Gedachten zijn vrij en de overheid mag die vrijheid niet inperken door van mensen instemming met de in wetten tot uitdrukking komende opvattingen te verlangen, bijvoorbeeld door middel van een inburgeringscontract. Dat wordt ook van hier geboren burgers niet verlangd, die wellicht ook opvattingen koesteren die haaks staan op de ‘geldende overtuigingen’.

De wet kent ook geen groepen, alleen individuen. Ik heb elders betoogd dat de rechtsstaat deels in de bijbel geworteld is. Een belangrijk element in de bijbel dat we ook in onze rechtsstaat terugvinden, is dat ieder individu persoonlijk verantwoordelijk is voor zijn daden en zich niet achter anderen – organisaties of overtuigingen – kan verschuilen. Dat impliceert ook dat de daden van een individu niet aan de groep waartoe hij behoort – of waartoe hij zichzelf rekent dan wel door anderen wordt gerekend – mag worden toegeschreven.

Wie voortdurend ter discussie stelt of de moslims respectievelijk de islam een positieve bijdrage aan de samenleving leveren, doet dat in elk geval zelf niet.

Het kan ook zonder D66

Tags

, , , , , , , , , , , , ,

Het proces om te komen tot de vorming van een nieuw kabinet lijkt voorlopig te zijn vastgelopen. De enige overgebleven mogelijkheid een kabinet te formeren dat over een meerderheid in de Tweede Kamer beschikt, is gestrand: D66 en ChristenUnie zien geen basis voor een vruchtbare samenwerking.

De uitkomst van het tweegesprek tussen Alexander Pechtold en Gert-Jan Segers, onder leiding van informateur Schippers, is geen verrassing. Zoals iedereen weet zijn de verschillen tussen de twee partijen op bepaalde vlakken heel groot. Die worden gewoonlijk als ‘(medisch-)ethisch’ aangeduid (alsof immigratie en klimaatbeleid niets met ethiek van doen hebben).

Men zou kunnen betogen dat om die reden deze fase beter had kunnen worden overgeslagen. Dat was ook de wens van D66. Pechtold zag geen mogelijkheid zich aan een serieuze poging nader tot elkaar te komen, te onttrekken, maar ging de gesprekken met frisse tegenzin aan. Ook al stond de uitkomst vrijwel vast, deze fase heeft toch nuttige informatie opgeleverd.

D66 heeft duidelijk gemaakt dat het de ChristenUnie hooguit wil tolereren, maar niet accepteren. Dat is geen basis voor een vruchtbare samenwerking in een kabinet. Segers beklemtoonde terecht dat zijn partij alleen bij de formatie van een kabinet betrokken wil worden, als ze echt gewenst is. Pechtold heeft nog eens heel duidelijk gemaakt dat dit niet het geval is, althans niet wat hem betreft. Daarnaast is nu ook nog eens duidelijk geworden wat voor D66 het zwaarste weegt. Ze afficheert zich graag als een partij die zich sterk maakt voor een deugdelijk klimaatbeleid en een rechtvaardig beleid ten aanzien van immigratie en integratie. Maar als puntje bij paaltje komt wegen de zogenaamde ethische onderwerpen, zoals ‘voltooid leven’, het zwaarste. We zullen misschien nooit weten – of pas na vele jaren – waarom de gesprekken van VVD, CDA, D66 en GroenLinks zijn vastgelopen. Volgens de mededelingen van de betrokkenen was dat het vraagstuk van de immigratie. Maar dat is wel heel algemeen. Wat was precies de kwestie waarover onenigheid ontstaan is? Het zou interessant zijn te weten, hoe D66 zich in deze discussie heeft opgesteld. Het heeft er de schijn van dat men GroenLinks de kastanjes uit het vuur heeft laten halen om zelf de handen vrij te houden voor volgende gespreksronden met andere partners.

Want D66 mag dan vaak de naam hebben – en zich dat graag laten aanleunen – ‘progressief’ te zijn, in de praktijk is daar lang niet altijd iets van te merken. Zeker op sociaal-economisch vlak zit er weinig licht tussen de VVD en D66. De zorgen van degenen, die niet profiteren van economische groei en globalisering, stuiten bij beide partijen op dezelfde mate van onbegrip. In die zin is het merkwaardig en weinig geloofwaardig wanneer gezegd wordt – onder andere in journalistieke analyses – dat D66 niet met de ChristenUnie in zee wilde om niet als enige partij in een ‘rechtse’ of ‘conservatieve’ coalitie terecht te komen. Afgezien daarvan dat termen als ‘progressief’ en ‘conservatief’ of ‘links’ en ‘rechts’ in het tegenwoordige politieke krachtenveld nog maar beperkt bruikbaar zijn, op verschillende vlakken kan D66 nauwelijks claimen ‘progressief’ te zijn. Dat geldt zeker op sociaal-economisch terrein. Op het gebied van klimaat en immigratie scoort de ChristenUnie even goed als D66 en als het om het respect voor de rechtsstaat gaat, zelfs beter dan D66. Dus wie is dan eigenlijk ‘links’ en wie is ‘rechts’?

Hoe moet het verder? Daarop valt eigenlijk geen antwoord te geven voordat meer duidelijk is over de consequenties die de verschillende partijen trekken. Nu alle mogelijkheden voor een meerderheidscoalitie zijn uitgeput, blijft in feite een minderheidskabinet als enige mogelijkheid over. In elk geval, zolang alle partijen vasthouden aan hun tot nu toe ingenomen posities. D66, zo valt te lezen, laat zich bij haar opstelling mede leiden door de overweging dat ze onmisbaar is voor een meerderheidscoalitie. Misschien moeten de andere partijen haar duidelijk maken dat het ook zonder D66 kan. PvdA en SP hebben samen meer zetels dan D66. Een vijfpartijencoalitie van deze partijen met VVD, CDA en ChristenUnie zou onderzocht moeten worden. Dat kan leiden tot een evenwichtig beleid op sociaal-economisch gebied en ten aanzien van klimaat. Op het laatste punt is van de VVD niet te meeste weerstand te verwachten. Het laatste partijcongres heeft zich uitgesproken voor het serieus werk maken van duurzaamheid. Een belangrijke ontwikkeling is ook dat het bedrijfsleven van het belang van duurzaamheid doordrongen lijkt te zijn. Dat is voor een ondernemerspartij als de VVD een belangrijke factor.

De VVD lijkt de opvattingen van D66 ten aanzien van ‘voltooid leven’ te delen, maar voor die partij heeft dat onderwerp geen prioriteit, zoals in elk geval Mark Rutte al eens liet doorschemeren. Voor zo’n vijfpartijencoalitie lijkt dit onderwerp geen onoverkomelijk probleem te zijn: behalve CDA en ChristenUnie staat ook de SP uiterst kritisch tot afwijzend tegenover een voorstel in de geest van D66.

Het grote struikelblok zou – opnieuw – immigratie kunnen zijn. Soms kan het verstandig zijn een kwestie blauw-blauw te laten, vanuit de overweging: komt tijd, komt raad. Maar dit onderwerp staat voortdurend op de agenda en daarom moeten daarover afspraken worden gemaakt. Bovendien is deze kwestie zo sterk gepolariseerd dat elk beleid per definitie springstof bevat, maar ook dat het zich nauwelijks voor een compromis leent. Op dit punt zou de ChristenUnie wel eens het meest uitgesproken kunnen zijn. Bij de PvdA vraag je je toch voortdurend af hoe sterk ze in haar schoenen staat tegenover partijen die op dit punt andere opvattingen hebben. De opstelling van de partij ten tijde van het laatste kabinet-Rutte geven reden tot twijfel op dit punt, ook al moet daarbij rekening gehouden worden met de consequenties van deelname aan een kabinet met de VVD. Maar ook de SP is op het punt van immigratie niet zo duidelijk. In feite is de ChristenUnie de enige die de rechtsstaat en internationale verdragen tot op de punten en de komma’s wil respecteren. Dat zou uitgangspunt van beleid moeten zijn en de ChristenUnie zou hier als ‘motorblok’ kunnen fungeren. Maar helaas is in het huidige politieke en maatschappelijke klimaat respect voor de rechtsstaat niet iets wat alle partijen verbindt.

Maar die rechtsstaat is wel onopgeefbaar. Als dat een breekpunt is, het zij zo. Dat is het meer dan waard.

Dodenherdenking is niet waardenvrij

Tags

, , , , , , ,

Over de Dodenherdenking die al sinds jaar en dag op 4 mei plaatsvindt, is weer eens heibel ontstaan. Ik zeg: weer eens. Want discussie over de aard van de Dodenherdenking is bepaald niet nieuw. In het recente verleden is er gedoe geweest over de vraag of vertegenwoordigers van het Duitse volk aan de herdenking mochten deelnemen. Nog vorig jaar leidde het plan van het gemeentebestuur van Vorden om ook omgekomen Duitse soldaten te herdenken tot felle protesten. Een joodse organisatie huurde een reclamevliegtuigje dat boven Vorden vloog met de banner “Vorden is fout”.

Dit jaar is het een plan van Rikko Voorberg, protestants theoloog en voorganger van een zogenaamde ‘pop-upgemeente’, dat de nodige commotie veroorzaakt. Hij wil 3000 papieren kruisjes plaatsen in het gras van het Rembrandtplein in Amsterdam om op die manier de vluchtelingen te herdenken, die op hun vlucht naar Europa zijn omgekomen. Op dat plan zijn veel negatieve reacties gekomen, niet alleen van degenen die al die aandacht voor vluchtelingen overdreven of zelfs misplaatst vinden en hen als ‘gelukzoekers’ wegzetten. Ook opiniemakers en politici die de vluchtelingen een warm hart toedragen en zich voor hen inzetten, keuren het plan af en zijn van mening dat op deze manier de Dodenherdenking van zijn karakter wordt beroofd. Het CIDI roept het Amsterdamse gemeentebestuur zelfs op hier een stokje voor te steken (1).

Dat laatste is enigszins merkwaardig. Weliswaar zijn er officiële herdenkingen, die door de overheid worden georganiseerd en geregisseerd, maar voor het overige staat het elke burger of groepen burgers vrij zelf een invulling aan Dodenherdenking te geven. Voorzover de openbare orde niet in gevaar wordt gebracht of de officiële herdenking niet wordt verstoord, heeft de overheid geen middelen ‘alternatieve’ herdenkingen te verbieden. De oproep is ook nogal pijnlijk, want een verbod is eigenlijk alleen te realiseren wanneer wetsartikelen uit de kast getrokken worden die niet bedoeld zijn voor situaties als de onderhavige. Daarmee zou de rechtsstaat worden aangetast. En is dat nu niet één van de zaken die in de Tweede Wereldoorlog in geding waren en hebben juist voor ook het herstel daarvan mensen niet hun leven opgeofferd?

Ik heb de opvatting voorbij zien komen dat het bedoelde plan ertoe zou bijdragen dat het belang van de Holocaust wordt gereduceerd. Dat is een merkwaardige stellingname. De Dodenherdenking gaat immers niet in de eerste plaats over de joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Dat is nooit het geval geweest. “In eerste instantie was de herdenking alleen voor militaire oorlogsslachtoffers. In 1960 werden hier, na kritiek vanuit de (Joodse) gemeenschap, ook de meer dan 100.000 weggevoerde en vermoorde Joden aan toegevoegd, die daarvoor niet genoemd werden tijdens de herdenking” (IsGeschiedenis). Sindsdien worden allen herdacht, die tijdens de Tweede Wereldoorlog als gevolg van oorlogshandelingen zijn omgekomen of het slachtoffer werden van vervolging door de bezetter. In 1961 is het onderwerp van de Dodenherdenking nog verder opgerekt. Op de site van het Nationaal Comité 4 en 5 mei staat te lezen: “Tijdens de Nationale Herdenking herdenken we de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en oorlogssituaties en vredesmissies nadien.” Daarmee is de oorspronkelijke bedoeling van Dodenherdenking al ondermijnd.

Met deze verbreding is ook de deur naar controverse en meningsverschillen opengezet. Want terwijl over de Tweede Wereldoorlog een grote mate van consensus bestaat, roepen latere militaire activiteiten nogal wat discussie op. Zelfs de strijd tegen de Japanse bezetter van voormalig Nederlands-Indië ligt gevoelig, aangezien de Nederlandse militaire acties – zeker in de latere perceptie – verweven zijn geraakt met de verdediging van het kolonialisme. Wie dus klaagt dat het oorspronkelijke karakter van Dodenherdenking wordt aangetast en dat een gebeurtenis waarin we als Nederlandse samenleving – over politieke en maatschappelijke scheidslijnen heen – één zouden moeten zijn, speelbal wordt van politieke meningsverschillen, is vele jaren te laat. Hij of zij had veel eerder aan de bel moeten trekken.

Overigens is het de vraag of dat veel verschil zou hebben gemaakt. Natuurlijk is het mogelijk zich bij een herdenking tot het stilstaan bij een gebeurtenis uit het verleden te beperken en geen pogingen te doen een brug naar het heden te slaan. Dat gebeurt – naar mijn inschatting – in het Verenigd Koninkrijk, waar men elk jaar in november stilstaat bij het einde van de Eerste Wereldoorlog. Inmiddels is niemand meer in leven die deze oorlog (bewust) heeft meegemaakt. Daarmee wordt het een steriel gebeuren, een traditie – zoals het Verenigd Koninkrijk er zovele kent – die een eigen leven gaat leiden, waarbij eigenlijk niemand zich nog van de betekenis bewust is.

In Nederland lijkt niemand voor zo’n soort herdenking te pleiten. Ook bij ons neemt het aantal mensen dat eigen herinneringen aan de oorlog heeft, af en met de tijd zullen ook diegenen van het toneel verdwijnen die van ouders of grootouders nog verhalen van hun wederwaardigheden hebben gehoord. Wil de Dodenherdenking dan niet een steriel gebeuren worden dat niets met onze werkelijkheid en ons leven te maken heeft, zal men zich toch de vraag moeten stellen welke lessen uit de Tweede Wereldoorlog en de gebeurtenissen die daartoe geleid hebben, getrokken moeten worden. En dan kom je onvermijdelijk in politiek vaarwater terecht.

Wie de discussies over dit onderwerp volgt, zal direct merken dat de politieke meningsverschillen die het debat in onze tijd in hoge mate bepalen, ook hier doorklinken. Sommigen zien de islam als het nieuwe gevaar en brandmerken haar als een fascistische ideologie. Anderen wijzen op de in toenemende mate kwetsbare positie van moslims in westerse samenlevingen. In de manier waarop zij bejegend worden, zien ze een parallel met de behandeling van de joden in de Europese geschiedenis, die haar dieptepunt vond in de jaren ’30 van de vorige eeuw en tenslotte leidde tot de Holocaust.

Past de herdenking van omgekomen vluchtelingen in dat plaatje? Het is in dit verband nuttig op te merken dat de visie op de Tweede Wereldoorlog en wat daaraan is vooraf gegaan, in de loop van de tijd is veranderd. Van het vroegere idealistische beeld dat de Nederlandse bevolking zich op grote schaal tegen de bezetter heeft gekeerd en de joden in bescherming heeft genomen, is niet veel overgebleven. Niet alleen is soms – op grotere schaal dan we graag willen toegeven – met de bezetter samengewerkt, vaker nog heeft men weggekeken en de joden en anderen die werden vervolgd aan hun lot overgelaten. Er moet ook op gewezen worden dat er in de jaren ’30 sprake was van veel naïviteit: de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in Duitsland en andere landen die zo’n fatale afloop zouden hebben, zijn niet of te laat onderkend. Dat heeft ertoe geleid dat vluchtelingen die aan het naderende onheil probeerden te ontkomen, in andere landen, en ook bij ons, allerminst met open armen zijn ontvangen.

Zou de herdenking van de Tweede Wereldoorlog niet bij uitstek een goed moment zijn om daarbij stil te staan? Zouden we aan het lot van vluchtelingen uit Nazi-Duitsland die een veilig heenkomen werd geweigerd, geen lessen voor onze tijd moeten trekken?

Daarmee is nog niet de vraag beantwoord of de Dodenherdenking daarvoor het meest geschikte moment is. De actie van Voorberg roept veel weerstand op. Dat is een factor om rekening mee te houden. Het is de vraag of hiermee niet het omgekeerde wordt bereikt van wat beoogd wordt. Anderzijds moeten we niet net doen, alsof Dodenherdenking zonder controverse mogelijk is. Wie daarvan geen levenloze traditie wil maken, moet accepteren dat over de invulling ervan en de lessen die we uit de gebeurtenissen van de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw moeten trekken, verschillen van mening bestaan. Dodenherdenking is niet waardenvrij.

Het zou goed zijn wanneer de samenleving zich hierover zou bezinnen. Daarbij kan dan ook de viering van Bevrijdingsdag in beeld komen. Want daaraan kan toch hopelijk wel wat meer inhoud worden gegeven dan het oppervlakkige volksvermaak, dat tegenwoordig de bevrijdingsfeesten overheerst? Laat het een dag van bezinning zijn waardoor in elk geval iets van de spanning van Dodenherdenking kan worden weggenomen.

(1) Dit berust op een bericht in De Telegraaf, dat onjuist blijkt te zijn. Zie een interview met Hanna Luden.

Volksvertegenwoordiging

Tags

, , , ,

Mag onze Tweede Kamer nog volksvertegenwoordiging heten? Volgens sommige opiniemakers – en sommige politici – niet, want de samenstelling van de Tweede Kamer wijkt nogal af van die van de bevolking als geheel. Vrouwen, kiezers van buiten de Randstad, mensen met een lage opleiding, etnische minderheden – ze zijn allemaal zwaar ondervertegenwoordigd.

De bezwaren daartegen mogen wel met een korreltje zout genomen worden. Laten we niet vergeten dat deze gegevens nogal selectief gehanteerd worden. De PVV pretendeert ‘het volk’ te vertegenwoordigen, maar hanteert een nogal beperkte definitie van dat begrip. Etnische minderheden zijn in de Tweede Kamer ondervertegenwoordigd, maar Geert Wilders zal daarvan niet wakker liggen. Laag opgeleiden stemmen vooral PVV en SP, dus als een substantieel deel van hen bij de verkiezingen thuis blijft, zullen ‘elitepartijen’ als D66 en GroenLinks dat publiek betreuren, maar misschien steken ze er heimelijk wel een vlaggetje voor uit.

Het is niet erg realistisch van de Tweede Kamer te verlangen dat alle groepen die je in de samenleving zou kunnen onderscheiden, daar naar rato vertegenwoordigd zijn. Welke groepen zijn relevant en welke niet? Hebben mensen die tot een bepaalde maatschappelijke groep behoren, per definitie gemeenschappelijke belangen? Bovendien, mensen behoren of rekenen zichzelf vaak tot meer dan één groep. Welke is dan beslissend? Wie vertegenwoordigt een zakenman met een Turkse achtergrond, die tegelijk ook een vrome moslim is?

Iedereen begrijpt en accepteert dat de Tweede Kamer in haar samenstelling geen spiegel van de gehele bevolking kan zijn. Een substantieel deel van de Nederlanders is minderjarig. Zij hebben geen actief kiesrecht en dus zeker geen passief kiesrecht. Wie verwacht dat de Tweede Kamer de bevolkingssamenstelling weerspiegelt, moet wel concluderen dat ze niet vertegenwoordigd zijn. Het aantal 70- en zelfs 80-plussers zal de komende jaren sterk toenemen. Maar niemand verwacht van iemand uit die groep zich verkiesbaar te stellen. Wie kan en wil op die leeftijd een baan voor meer dan 40 uur per week?

Aan het ideaal van de afspiegeling liggen ideeën over politiek ten grondslag die voor discussie vatbaar zijn. Het lijkt vooral te gaan om een botsing van belangen. Maar wat zijn de belangen van individuen of van maatschappelijke groepen? Daarover bestaan verschillende meningen. Kennelijk gaat het in de politiek toch vooral daarom: welke visie op de samenleving heb je als politicus of als politieke partij?

Dat relativeert ook het bezwaar dat etnische minderheden ondervertegenwoordigd zijn. Daarvan gaat de suggestie uit dat die identieke opvattingen over de samenleving hebben. Dat blijkt steeds weer niet het geval te zijn. Politici met bijvoorbeeld een Marokkaanse of Turkse achtergrond zijn zowel aan de linker- als aan de rechterkant van het politieke spectrum te vinden.

Dat in het politieke bedrijf hoger opgeleiden de toon aangeven is niet zo verbazingwekkend. Onze democratie is wel getypeerd als een ‘diplomademocratie’. De meeste politici hebben op z’n minst een middelbare opleiding genoten, maar een substantieel deel meer dan dat, zelfs bij die partijen die steunen op een electoraat waarin kiezers met een lagere opleiding oververtegenwoordigd zijn. Dat heeft alles te maken met de complexiteit van het politieke bedrijf. Een politicus die zijn taak serieus neemt, zal over de nodige kennis en vaardigheden moeten beschikken.

Burgers met een lagere opleiding zijn niet per definitie minder intelligent. Ze kunnen zich ook op andere wijze kwaliteiten eigen maken, die voor een politieke partij van nut zijn. Maar dan moeten ze wel in een politieke partij actief zijn. En dat is een deel van het probleem. Gebrekkige representatie is vaak het gevolg van gebrekkige participatie. Dat speelt zeker ook bij etnische minderheden een rol. Die zijn waarschijnlijk minder actief in politieke partijen. Daardoor worden hun kwaliteiten niet opgemerkt.

In ons systeem van evenredige vertegenwoordiging verloopt de kandidaatstelling via politieke partijen. Wie dus het Kamerlidmaatschap ambieert, moet zorgen dat hij over een netwerk binnen een partij beschikt. Het is dan aan de partij ervoor te zorgen dat ook zulke leden een faire kans krijgen de idealen van die partij via een Kamerlidmaatschap uit te dragen.

De Tweede Kamer is geen afspiegeling van de bevolking en ook niet van het gehele electoraat. Dat is ook nooit zo geweest. Ook zonder strikte representatie is de Tweede Kamer nog wel degelijk volksvertegenwoordiging. Zeker Kamerleden en politieke partijen zouden geen twijfel moeten zaaien aan de legitimiteit van deze volksvertegenwoordiging.

PvdA heeft een verhaal nodig

Tags

, , , , , , , , , , ,

Er is inmiddels al heel wat geschreven over de uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen. Het populisme is op z’n retour, zegt de een. Dat is schijn, betoogt een ander; de gevestigde partijen hebben een belangrijk deel van de agenda van populistische partijen overgenomen. Wellicht kom ik hier nog eens op terug, maar ik wil me hier concentreren op één aspect dat ook veel aandacht heeft getrokken: het enorme verlies van de PvdA.

Natuurlijk heeft die partij wel vaker in de storm gezeten. De laatste decennia heeft ze zowel pijnlijke nederlagen als glorieuze comebacks gekend. Maar wat er bij de laatste verkiezingen is gebeurd, is zonder precedent. Eén van de grootste partijen van Nederland, met een lange en eerbiedwaardige geschiedenis, is in één dag gereduceerd tot een kleine partij in de marge. Natuurlijk gebeurde dat strikt genomen niet in één dag: de voortekenen waren al niet goed. De peilingen lieten al zien dat het voor de PvdA slecht zou aflopen, maar daarin stond ze toch vrijwel altijd nog op meer dan tien zetels. Dus kwam de klap van woensdag 15 maart des te harder aan.

Als het met de PvdA niet zo goed gaat, ontstaat onrust. Dat zou bij andere partijen wellicht ook het geval zijn, maar de PvdA lijkt een bijzonder talent voor zelfdestructie te hebben. Allerlei goedbedoelde adviezen worden in de pers geventileerd, over wat de partij zou moeten doen en moeten laten. Het leidde tot een wisseling aan de top: Diederik Samsom, die bij de vorige verkiezingen er onverwacht zo’n goed resultaat had uitgesleept, werd aan de kant gezet en vervangen door Lodewijk Asscher. Die stond voor een bijna onmogelijke opgave. Als vice-premier kon hij het gevoerde beleid niet volledig afvallen, want dan zou hij in feite kritiek leveren op zichzelf. Tegelijk moest hij voldoende afstand nemen van het regeringsbeleid om de eigenheid van de PvdA te kunnen beklemtonen. Dat is hem niet gelukt. De PvdA-leden hadden het hem niet moeten aandoen. Zijn verkiezing was een duidelijk signaal van de paniek die bij de PvdA toesloeg. Angst is een slechte raadgever, ook nu: door paniekvoetbal heeft men dat over zich gehaald wat men wilde vermijden.

Nu begint de tijd van het wonden likken en analyseren. PvdA-coryfeeën zijn nooit te beroerd de verantwoordelijken aan de schandpaal te nagelen. Partijvoorzitter Hans Spekman is de eerste prominent die het veld moet ruimen. Het is als in de sportwereld: als de resultaten tegenvallen moet de coach verdwijnen. Daarbij wordt vaak verzuimd eens kritisch naar het eigen functioneren te kijken. Wanneer een partij als de PvdA, met een niet onaanzienlijk kiezerspotentieel, in de versukkeling raakt, is er meestal meer aan de hand dan het niet optimaal functioneren van bepaalde personen. Het gaat uiteindelijk niet om de poppetjes. Je kunt nog zulke briljante strategen aan het werk zetten, zonder een goede boodschap redden ze het niet. Een slecht product kun je niet verkopen.

Dus is de vraag wat er mis is. Uit de uitlatingen van (voormalige) PvdA-stemmers in de media komt naar voren dat velen vinden dat de partij de traditionele stemmers in de steek heeft gelaten. Wat verhevener geformuleerd: de PvdA heeft zich teveel door het neoliberalisme laten inpakken en ziet degenen die niet zo goed kunnen meekomen in de vaart der volkeren, over het hoofd. Dat is een ontwikkeling die al decennia plaatsvindt, vooral sinds de PvdA onder Wim Kok haar ideologische veren afschudde. Daar was wel een reden voor: wilde de PvdA de band met die kiezers die het inmiddels beter hadden gekregen, niet verliezen en voorkomen dat die naar bijvoorbeeld D66 zouden verdwijnen, dan moest ze haar boodschap aanpassen, zo was de gedachte.

Het is al herhaaldelijk geconstateerd dat onze samenleving gekenmerkt wordt door allerlei scheidslijnen, bijvoorbeeld door verschillen in opleiding en inkomen. Mensen die tot verschillende lagen behoren, komen elkaar nog sporadisch of helemaal niet tegen. Wanneer mensen nog maar weinig gemeen hebben, hoe kun je die dan toch in één organisatie bijeenbrengen?

Ik hoorde geluiden dat de PvdA vooral naar D66 en GroenLinks moet kijken om ideeën op te doen over hoe het verder moet. Dat lijkt me geen goed advies. Want deze partijen betrekken hun aanhang vooral uit de hogere sociale klassen: het zijn mensen met een meer dan gemiddelde opleiding en een meer dan gemiddeld inkomen. Traditionele PvdA-kiezers zijn niet naar die partijen uitgeweken, maar naar SP en PVV. Zijn dat dan inspiratiebronnen? Nee, niet echt. De PVV heeft geen leden en doet niets om mensen aan de partij te binden. De achterban bestaat grotendeels uit mensen met een lagere opleiding en dito inkomen. Dat geldt tot op zekere hoogte ook voor de SP, ook al kent die wel academisch gevormde leden, ook onder de vertegenwoordigers in de Kamer, in Provinciale Staten en gemeenteraden.

We leven in een tijd van individualisme. Veel mensen denken in de eerste plaats of zelfs uitsluitend aan hun eigen belang. Wanneer de belangen van de verschillende sociale klassen tegengesteld zijn, wordt het vrijwel onmogelijk die bij elkaar te brengen in één organisatie. De christelijke partijen hebben daar niet zoveel problemen mee. Ze betrekken hun aanhang vooral uit mensen die lid zijn van een kerk en dat is tegenwoordig nog bijna de enige ‘organisatie’ waar mensen uit verschillende sociale lagen elkaar tegenkomen en met elkaar omgaan, en dan ook nog eens op voet van gelijkheid. Doordat ze geworteld zijn in het christelijk geloof hebben die partijen hun aanhangers een groot verhaal te bieden dat het particulier of groepsbelang overstijgt.

Daarin ligt de toekomst voor de PvdA. Sommigen in de partij lijkt het te gaan dagen, zoals Agnes Jongerius, jarenlang voorzitter van de FNV en tegenwoordig Europarlemantariër voor de PvdA. In een artikel in Trouw wordt ze aldus geciteerd: “Misschien is het wel misgegaan onder Wim Kok, toen die de ‘derde weg’ insloeg, eind jaren tachtig. De gedachte was: we moeten de oude tegenstelling tussen kapitaal en arbeid overbruggen, de oude twistpunten achter ons laten. De paarse kabinetten, met PvdA, VVD en D66, waren daar een uitdrukking van. Daarmee is ook een beweging ingezet waarin de economie meer en meer als een gegeven werd beschouwd, niet als iets waarover politieke keuzes gemaakt kunnen worden. Hoogstens werden her en der nog wat scherpe kantjes afgeschaafd.” Met andere woorden: het afschudden van de ideologische veren was een vergissing. Merijn Oudenampsen, politicoloog aan de Universiteit van Tilburg, onderschrijft deze analyse: “”De afgelopen twintig jaar heeft de PvdA aan haar aanhangers verteld dat zij hun verwachtingen moeten temperen”, schrijft hij. “Dat een werkelijk linkse politiek niet mogelijk is.” De overheid kan niet alles oplossen, was de boodschap. De zorg voor kwetsbaren, het klimaat, discriminatie, werkgelegenheid: laat het maar liever over aan de markt. En bezuinigingen zijn onvermijdelijk, er is geen andere keuze.”

Om ‘arbeiders’, ‘intellectuelen’ en goedverdienende kosmopolieten te kunnen binden, moet de PvdA een groot verhaal hebben, een ideologie die duidelijk maakt waar ze voor staat. Ze moet duidelijk maken dat de ontwikkeling van de economie geen autonoom proces is, maar voor een belangrijk deel gestuurd wordt door politieke beslissingen. Dat impliceert dat ook andere beslissingen mogelijk zijn.

Minister Plasterk suggereerde dat de PvdA zich bij GroenLinks zou kunnen aansluiten. Dat getuigt van onbegrip voor de oorzaak van de problemen, want de traditionele PvdA-kiezer voelt zich tot GroenLinks niet aangetrokken. Die zal dan definitief afhaken. Een beweging in de richting van de SP ligt meer voor de hand. Die is ooit opgericht als marxistisch alternatief voor de sociaal-democratie. Inmiddels is van dat marxisme niet veel overgebleven maar de ideologische inslag is niet verdwenen. Die ideologie wordt vaak op een nogal rigide manier gehanteerd en dat zorgt ervoor dat deze partij niet van de neergang van de PvdA kan profiteren. Ook heeft de SP nogal sterk populistische trekken waardoor feiten en analyses vaak tekort schieten. Van een vereniging van PvdA en SP zouden beide kunnen profiteren.

Ook wie geen sociaal-democraat is en nooit op de PvdA zal stemmen, zal toch kunnen inzien dat een sociaal-democratie die duidelijk aanwezig is in het politieke krachtenveld van groot belang is voor de maatschappelijke vrede. Voorzien van een duidelijk verhaal kan ze onvrede kanaliseren en de verantwoordelijkheid leggen waar die hoort: bij de overheid en de partijen die samen het beleid bepalen. Ze kan daarmee ook een dam opwerpen tegen het populisme dat maatschappelijke onvrede misbruikt voor een nationalistische agenda.

Op zoek naar een identiteit

Tags

, , , , , , , ,

“It’s the economy, stupid!” Dat is een gevleugelde uitspraak geworden waarmee gezegd wil zijn dat het in verkiezingscampagnes uiteindelijk altijd om de economie draait. Maar als niet alle voortekenen bedriegen en er niet ineens een grote financiële of economische crisis uitbreekt, zal het bij de verkiezingen die in diverse Europese landen dit jaar zullen plaatsvinden, niet in de eerste plaats over de economie gaan. De thema’s immigratie en integratie zullen de hoofdrol spelen, al komt ook daarin de economie wel om de hoek kijken. De presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten lijken een voorbode te zijn geweest van wat we ook in Europa kunnen verwachten. Mensen die economisch in de knel zitten – of in elk geval dat zelf zo ervaren – geven immigranten daarvan de schuld of, als ze dat uit eigen beweging niet doen, laten zich door politici ervan overtuigen dat daar het probleem ligt. Het heeft er mede toe bijgedragen dat Donald Trump de komende vier jaar president van de VS zal zijn.

Integratie en immigratie zijn al heel lang een belangrijk onderwerp in verschillende Europese landen en dat is nog sterker het geval sinds de aanslagen die de laatste jaren de westerse samenlevingen hebben opgeschrikt. Tot nu toe is Nederland daarvan verschoond gebleven, maar dat heeft er niet toe geleid dat het debat hier op een meer ontspannen wijze verloopt dan elders. Het tegendeel is het geval. De samenleving raakt steeds meer verdeeld in kampen die op dit punt diametraal tegenover elkaar staan. Met een variant op een beroemde passage uit een gedicht van Rudyard Kipling: het lijkt erop dat “never the twain shall meet”.

Politici en opiniemakers in verschillende Europese landen hebben de laatste jaren om het hardst geroepen dat de multiculturele samenleving is mislukt. Maar wat bedoelden ze daarmee? Dat is niet zo eenvoudig te zeggen, aangezien lang niet altijd duidelijk is wat men eigenlijk onder ‘multiculturele samenleving’ verstond. Het lijkt erop dat men verwachtte dat immigranten enthousiast de westerse cultuur zouden omarmen en zich op die manier zonder al te veel problemen in de samenleving zouden invoegen. Maar dat viel tegen.

De afstand tussen wat bij ons bon ton is en wat immigranten als culturele en ideologische bagage – niet zelden religieus geïnspireerd – meebrengen is groter dan verwacht werd. Bovendien blijkt wat de westerse samenleving te bieden heeft, veel minder aantrekkelijk dan velen bij ons denken. Te lang is vooral ook de invloed van de religie onderschat. Doordat die bij ons inmiddels een marginaal verschijnsel is geworden, heeft de samenleving een blinde vlek gekregen voor het belang van de religie voor veel immigranten. De gedachte heeft post gevat dat religie iets van het verleden is en ‘niet meer van deze tijd’, om een vaak gehanteerde en van gemakzucht getuigende dooddoener te gebruiken. Dat juist voor veel immigranten hun religie een deel van hun identiteit is, brengt de westerse samenleving in grote verwarring.

Maar is assimilatie – want daar komt het hier omschreven ideaal op neer – wel iets waarnaar gestreefd zou moeten worden? Erg realistisch is het in elk geval niet. Wanneer een religie en de daaruit voortvloeiende cultuur deel van iemands identiteit zijn, ligt het niet erg voor de hand dat nieuwkomers die zomaar afwerpen. Cultuur is meer dan een jasje dat je aan- en uittrekt. Voor religie geldt dat in nog sterkere mate. Juist christenen zouden dat moeten begrijpen. Zij steigeren wanneer seculieren suggereren dat godsdienst iets persoonlijks is dat achter de voordeur moet blijven en dat je thuis moet laten als je je huis verlaat.

Maar wat dan wel? Van immigranten mag – zoals van iedereen die zich binnen onze landsgrenzen ophoudt – worden verwacht dat ze zich aan de wetten houden. Wanneer dat niet het geval is, krijgen ze met het justitiële apparaat te maken, net als elke geboren Nederlander. Maar van niemand mag geëist worden dat hij het met die wetten eens is of de idealen die daaraan ten grondslag liggen, onderschrijft. Dat wordt van hier geboren Nederlanders ook niet gevraagd. Er zijn heel wat christenen die het met allerlei wetten niet eens zijn en die graag gewijzigd zouden zien of zouden zien verdwijnen. Daar hoef je trouwens geen christen voor te zijn. Een belangrijk deel van de activiteiten van politici en politieke partijen bestaat immers uit het streven naar wijziging van bestaande wetgeving. Het staat iedere partij vrij de verkiezing van burgemeesters te bepleiten, terwijl toch in de grondwet staat dat die door de Koning benoemd worden. De grondwet is niet in graniet gegoten. Het wijzigen van een grondwetsartikel is een langdurig en gecompliceerd proces, maar het is niet onmogelijk en het streven ernaar niet verboden. Toen Pim Fortuyn ooit pleitte voor het afschaffen van het grondwetsartikel dat ongelijke behandeling verbiedt, was Nederland te klein. Terecht werd daarop zware kritiek uitgeoefend, maar het stond hem uiteraard geheel vrij daarvoor te pleiten. Zo mogen moslims natuurlijk pleiten voor invoering van de sharia. Dat behoort allemaal tot de vrijheid van meningsuiting.

De consequentie van het bovenstaande is ook dat er geen reden is degenen die het staatsburgerschap ontvangen een speciale verklaring te laten ondertekenen waarin ze beloven de wetten te respecteren en een aantal waarden te onderschrijven. Het eerste spreekt vanzelf, het tweede zou een ongelijke behandeling van ingezetenen en nieuwkomers zijn. Dat is – hoe ironisch – in strijd met juist één van die waarden, die nieuwkomers worden geacht te onderschrijven.

Het hoogst haalbare is een samenleving waarin verschillende culturen naast elkaar bestaan. Het spannende is hoe de deelnemers aan de samenleving – en dat zijn alle mensen die zich op Nederlands grondgebied bevinden – erin slagen tot een bepaalde modus vivendi te komen. Het streven van alle deelnemers zou moeten zijn een zodanig manier van samenleven te vinden dat iedereen zoveel mogelijk zijn culturele identiteit kan behouden zonder elkaar in de weg te zitten. Dat kan alleen slagen als alle deelnemers elkaar gelijke rechten gunnen. Het spreken over een dominante cultuur – soms in het Duits als Leitkultur aangeduid – past daar niet in. Iedereen in Nederland heeft het recht aan de samenleving bij te dragen en de cultuur mede vorm te geven. Bijna als vanzelf wordt vaak gesproken over ‘onze’ cultuur als de traditionele witte Nederlandse cultuur wordt bedoeld. Maar daarmee worden als vanzelf andere culturen en hun vertegenwoordigers uitgesloten. ‘Onze’ cultuur is allang niet meer wit, want al decennia wonen hier mensen uit de voormalige koloniën die net zo Nederlands zijn als degenen die hen willen uitsluiten. En inmiddels is de Nederlandse samenleving nog veel meer van kleur verschoten.

Maar we moeten nog een stap verder gaan. Zelfs al waren al die kleuren hier niet vertegenwoordigd, dan was Nederland nòg een multiculturele samenleving. Er is geen sprake meer van een dominante cultuur: de traditionele witte Nederlandse cultuur is in vele subculturen uiteen gevallen. In de tijd van de verzuiling waren er grote religieuze en ideologische verschillen tussen Nederlandse burgers. Maar tegelijkertijd waren er nog een aantal waarden die door vrijwel iedereen – of in elk geval het overgrote deel van de bevolking – werden gedeeld. Die waren voor een belangrijk deel het resultaat van de dominantie van het christendom, die in hoge mate cultuurvormend heeft gewerkt. Maar inmiddels is die invloed uiterst gering geworden. Dat heeft ertoe geleid dat datgene wat als kenmerkend voor de Nederlandse cultuur gold in hoge mate van karakter is veranderd. In veel gevallen is de christelijke oorsprong niet meer herkenbaar of is aan traditionele christelijke waarden een zodanig andere inhoud gegeven dat ze bijna in hun tegendeel zijn verkeerd. Er is dan ook weinig reden de witte Nederlandse cultuur van het etiket ‘joods-christelijk’ te voorzien. Dat is nog te meer het geval omdat degenen die deze term in de mond nemen en als politiek wapen gebruiken, er regelmatig blijk van geven van de oorsprong van die cultuur niets te willen weten. Wie niet weet wat het christelijk geloof inhoudt of daarvan afstand neemt, zou zich niet van die terminologie moeten bedienen.

Betekent dit dat er geen Nederlandse identiteit bestaat? Degenen die van mening zijn dat we onze identiteit moeten bewaren en beschermen, hebben er vaak nogal wat moeite mee die precies te omschrijven. Een verwijzing naar de grondwet of daarvan afgeleide wetten voldoet niet, ook al omdat die vaak niet principieel afwijken van die in andere landen. Die zeggen dus weinig of niets over wat nu de Nederlandse identiteit is. Je kunt wijzen op allerlei tradities. Maar van niemand kan verlangd worden dat hij zich daaraan conformeert. Er zijn immers genoeg geboren Nederlanders die daarvan afstand houden of die zelfs expliciet verwerpen. Wanneer voor hen plaats is in de samenleving, waarom dan niet voor nieuwkomers die niet de behoefte hebben die te omhelzen? Eén van de waarden van ons land is dat elke staatsburger gelijke rechten heeft. Dat betekent dus dat iedere Nederlander het recht heeft te pleiten voor het behoud van bepaalde tradities, maar ook voor het verdwijnen daarvan. Uiteindelijk hangt het voortbestaan van tradities – per definitie nergens zwart op wit vastgelegd, laat staan voorgeschreven – af van het maatschappelijk draagvlak. Wanneer het draagvlak verdwijnt, wordt ook de traditie bijgezet in het museum.

Als er iets is dat tot de Nederlandse identiteit behoort, is dat het streven mensen met heel verschillende culturele, godsdienstige en ideologische bagage vreedzaam te laten samenleven. Dat is geen samenleving van ‘leven en laten leven’: het naast elkaar bestaan van culturen impliceert niet een gebrek aan interesse voor de andere culturen en zelfs niet de afwezigheid of het tot elke prijs vermijden van conflict. Conflicten als zodanig zijn het probleem niet. Het wordt pas een probleem als gesprekspartners elkaar het recht ontzeggen er een bepaalde mening op na te houden of daaraan uiting te geven. De verzuiling zoals we die tot de jaren ’60 van de vorige eeuw kenden, kan daarbij een goede leidraad zijn.

Die verzuiling was helemaal zo gek nog niet.

Handhaaft en beschaaft

Tags

, , , , , ,

Bijna 40 jaar geleden, toen ik aan de Universiteit van Utrecht studeerde, werd in de studentenvereniging waarvan ik lid was, met nauwelijks verholen afkeer gesproken over het ‘corps’, zoals het Utrechts Studenten Corps (USC) kortweg werd genoemd. De leden werden kortweg als ‘corpsballen’ aangeduid en dat was niet als compliment bedoeld. Er kwamen regelmatig verhalen voorbij over wangedrag en zeker niet alleen tijdens de ontgroening. De ‘corpsballen’ werden ook als arrogant beschouwd, als mensen die dachten dat ze iets bijzonders waren en dat regels die voor ‘gewone mensen’ golden, op hen niet van toepassing waren.

Dat waren ongetwijfeld deels vooroordelen. Bovendien werden alleen de uitwassen gesignaleerd waaraan vast niet alle leden zich schuldig maakten. En studenten die van andere verenigingen lid waren, waren heus ook niet altijd van die lieverdjes. Maar toch, de recente verhalen over misstanden in Groningen laten zien dat bepaalde verenigingen er wel alles aan doen om vooroordelen te bevestigen. Dat gebeurt niet alleen door die gebeurtenissen zelf maar zeker ook – en misschien nog wel meer – door de manier waarop de verantwoordelijken, in casu de bestuursleden, met dit soort incidenten omgaan. Ze wekken voortdurend de indruk de reikwijdte van die incidenten en de gevolgen voor de beeldvorming niet te begrijpen. Wat dat betreft doen ze wel heel erg denken aan leidende figuren uit de bankenwereld en de top van het zakenleven die tijdens de bankencrisis en de economische neergang die daarvan het gevolg was, met stomheid geslagen waren toen ze geconfronteerd werden met de maatschappelijke commotie over de salarisverhogingen en miljoenenbonussen die ze zichzelf toekenden. Wanneer de leden van Vindicat en vergelijkbare clubs inderdaad, zoals vaak beweerd wordt, uiteindelijk deel gaan uitmaken van het old-boys-network en langs die weg aan de top van financiële en economische instellingen komen te staan, hebben ze zich in elk geval goed voorbereid. Een betere leerschool in naïviteit en wereldvreemdheid hadden ze zich niet kunnen wensen.

Inmiddels is de commotie zo groot dat ook de universiteitsbestuurders wakker lijken te zijn geworden. Jarenlang hebben ze er het zwijgen toe gedaan. Ze hebben weggekeken, misstanden als incidenten afgedaan en zich met de fopspeen van ‘protocollen’ laten zoet houden. Nu ineens willen ze stevige maatregelen gaan nemen en er zelfs voor zorgen dat geen ontgroeningen meer plaatsvinden. Hoe ze dat willen gaan aanpakken is niet geheel duidelijk. Hun mogelijkheden zijn beperkt, want het gaat om zelfstandige organisaties. Die mogen hun eigen beleid bepalen en de bevoegdheden van universiteiten strekken zich niet uit tot het interne beleid van zulke verenigingen. Hooguit zouden allerlei faciliteiten waarvan zulke verenigingen profiteren, kritisch onder de loep genomen kunnen worden. Maar daar is men wel rijkelijk laat mee.

De recente ophef over misstanden is niet uniek. Regelmatig berichten de media over calamiteiten maar na verloop van tijd wordt het weer stil en gaat het weer als vanouds. Steeds weer bezweren besturen dat ze incidenten betreuren en afkeuren, dat ze de zaak tot op de bodem zullen uitzoeken en de protocollen zullen aanscherpen. Maar dat zet weinig zoden aan de dijk. Protocollen hebben een beperkte reikwijdte. Net zoals een wet of een verenigingsreglement kan een protocol niet in alle gevallen voorzien. Er kan zich altijd weer een incident voordoen waarover nu net niets geregeld is in het protocol. Bovendien onttrekt zich een deel van het contact tussen leden en aspirant-leden aan de openbaarheid, ook binnen een vereniging. En dan zijn er natuurlijk ook altijd nog manieren om mensen te intimideren en lichamelijk of psychisch te vernederen waartegen geen enkele protocollaire bepaling is opgewassen. De menselijke geest is creatief, en helaas niet altijd ten goede.

Bestrijding van misstanden is vooral daarom zo lastig omdat in de meeste gevallen geen aangifte wordt gedaan door de slachtoffers. Het schijnt de gewoonte te zijn van (aspirant-)leden te eisen dat ze niets naar buiten brengen van wat zich binnen de vereniging, ook tijdens de ontgroening, afspeelt. Hier zou de overheid kunnen en moeten ingrijpen. Toen de rooms-katholieke kerk zich voornam, gevallen van seksueel misbruik intern af te handelen, ontstond daarover grote commotie in de samenleving en de politiek. Het werd onaanvaardbaar geacht dat verdachten zich op deze wijze aan strafrechtelijke vervolging zouden kunnen onttrekken. Waarom zouden degenen die verantwoordelijk zijn voor misstanden binnen de corpora zich dan wèl aan het strafrecht mogen onttrekken? Wie aangifte doet, moet een boete betalen. In het geval van Vindicat bedraagt die 25.000 Euro. Zo bont heeft de rooms-katholieke kerk het nog nooit gemaakt. Wanneer een studentenvereniging het karakter van een secte gaat aannemen, moet ze door de overheid ook maar als zodanig behandeld worden.

Ik wees er al op dat corpora steeds schermen met protocollen. Afgezien van het feit dat die aspirant-leden kennelijk onvoldoende veiligheid bieden, blijven ze ook altijd aan de buitenkant. Het zijn administratieve maatregelen die de mentaliteit van een corps onaangetast laten. Het feit dat protocollen nodig zijn, is een veeg teken. Er staan meestal zaken in die volstrekt vanzelf zouden moeten spreken. Maar dat is blijkbaar niet het geval en dat is precies het probleem. Het moet eerst tussen de oren gaat zitten. Er moet een fundamentele gedragswijziging komen waardoor mensen in verschillende posities – lid en nog-niet-lid – op een respectvolle manier met elkaar omgaan. Maar dat zal een lang proces zijn dat alleen tot resultaat kan komen wanneer bij alle betrokkenen de oprechte wil tot verandering aanwezig is. Maar gezien de sociale strata waaruit de corpora hun leden betrekken valt te vrezen dat ze al met een bepaalde mentaliteit behept zijn als ze van zulke verenigingen lid worden. Dat zal ook de reden zijn dat er meestal geen klachten worden ingediend. Wellicht heeft men van huis uit meegekregen dat dit normaal is. Bovendien is het lidmaatschap het toegangsbewijs tot het old-boys-network en dat laat je niet zo maar lopen.

Inmiddels is wel duidelijk geworden dat ook binnen de financieel-economische wereld de mentaliteit niet structureel veranderd is. Wie wel bereid is afscheid te nemen van de heersende mentaliteit wordt uitgekotst en naar de zijlijn gemanoeuvreerd, zoals Joris Luyendijk al herhaaldelijk heeft aangetoond. Gezien de nauwe verbondenheid tussen deze wereld en die van de corpora hoeven we ons over veranderingen bij de laatstgenoemden geen illusies te maken. Zolang het lidmaatschap van een vereniging als Vindicat de weg is naar maatschappelijke privileges zal alles bij het oude blijven.

De volledige naam van het Groningse corps luidt: Vindicat Atque Polit. Dat betekent “handhaaft en beschaaft” – in elk geval dat laatste is nog niet erg gelukt.