Het kan ook zonder D66

Tags

, , , , , , , , , , , , ,

Het proces om te komen tot de vorming van een nieuw kabinet lijkt voorlopig te zijn vastgelopen. De enige overgebleven mogelijkheid een kabinet te formeren dat over een meerderheid in de Tweede Kamer beschikt, is gestrand: D66 en ChristenUnie zien geen basis voor een vruchtbare samenwerking.

De uitkomst van het tweegesprek tussen Alexander Pechtold en Gert-Jan Segers, onder leiding van informateur Schippers, is geen verrassing. Zoals iedereen weet zijn de verschillen tussen de twee partijen op bepaalde vlakken heel groot. Die worden gewoonlijk als ‘(medisch-)ethisch’ aangeduid (alsof immigratie en klimaatbeleid niets met ethiek van doen hebben).

Men zou kunnen betogen dat om die reden deze fase beter had kunnen worden overgeslagen. Dat was ook de wens van D66. Pechtold zag geen mogelijkheid zich aan een serieuze poging nader tot elkaar te komen, te onttrekken, maar ging de gesprekken met frisse tegenzin aan. Ook al stond de uitkomst vrijwel vast, deze fase heeft toch nuttige informatie opgeleverd.

D66 heeft duidelijk gemaakt dat het de ChristenUnie hooguit wil tolereren, maar niet accepteren. Dat is geen basis voor een vruchtbare samenwerking in een kabinet. Segers beklemtoonde terecht dat zijn partij alleen bij de formatie van een kabinet betrokken wil worden, als ze echt gewenst is. Pechtold heeft nog eens heel duidelijk gemaakt dat dit niet het geval is, althans niet wat hem betreft. Daarnaast is nu ook nog eens duidelijk geworden wat voor D66 het zwaarste weegt. Ze afficheert zich graag als een partij die zich sterk maakt voor een deugdelijk klimaatbeleid en een rechtvaardig beleid ten aanzien van immigratie en integratie. Maar als puntje bij paaltje komt wegen de zogenaamde ethische onderwerpen, zoals ‘voltooid leven’, het zwaarste. We zullen misschien nooit weten – of pas na vele jaren – waarom de gesprekken van VVD, CDA, D66 en GroenLinks zijn vastgelopen. Volgens de mededelingen van de betrokkenen was dat het vraagstuk van de immigratie. Maar dat is wel heel algemeen. Wat was precies de kwestie waarover onenigheid ontstaan is? Het zou interessant zijn te weten, hoe D66 zich in deze discussie heeft opgesteld. Het heeft er de schijn van dat men GroenLinks de kastanjes uit het vuur heeft laten halen om zelf de handen vrij te houden voor volgende gespreksronden met andere partners.

Want D66 mag dan vaak de naam hebben – en zich dat graag laten aanleunen – ‘progressief’ te zijn, in de praktijk is daar lang niet altijd iets van te merken. Zeker op sociaal-economisch vlak zit er weinig licht tussen de VVD en D66. De zorgen van degenen, die niet profiteren van economische groei en globalisering, stuiten bij beide partijen op dezelfde mate van onbegrip. In die zin is het merkwaardig en weinig geloofwaardig wanneer gezegd wordt – onder andere in journalistieke analyses – dat D66 niet met de ChristenUnie in zee wilde om niet als enige partij in een ‘rechtse’ of ‘conservatieve’ coalitie terecht te komen. Afgezien daarvan dat termen als ‘progressief’ en ‘conservatief’ of ‘links’ en ‘rechts’ in het tegenwoordige politieke krachtenveld nog maar beperkt bruikbaar zijn, op verschillende vlakken kan D66 nauwelijks claimen ‘progressief’ te zijn. Dat geldt zeker op sociaal-economisch terrein. Op het gebied van klimaat en immigratie scoort de ChristenUnie even goed als D66 en als het om het respect voor de rechtsstaat gaat, zelfs beter dan D66. Dus wie is dan eigenlijk ‘links’ en wie is ‘rechts’?

Hoe moet het verder? Daarop valt eigenlijk geen antwoord te geven voordat meer duidelijk is over de consequenties die de verschillende partijen trekken. Nu alle mogelijkheden voor een meerderheidscoalitie zijn uitgeput, blijft in feite een minderheidskabinet als enige mogelijkheid over. In elk geval, zolang alle partijen vasthouden aan hun tot nu toe ingenomen posities. D66, zo valt te lezen, laat zich bij haar opstelling mede leiden door de overweging dat ze onmisbaar is voor een meerderheidscoalitie. Misschien moeten de andere partijen haar duidelijk maken dat het ook zonder D66 kan. PvdA en SP hebben samen meer zetels dan D66. Een vijfpartijencoalitie van deze partijen met VVD, CDA en ChristenUnie zou onderzocht moeten worden. Dat kan leiden tot een evenwichtig beleid op sociaal-economisch gebied en ten aanzien van klimaat. Op het laatste punt is van de VVD niet te meeste weerstand te verwachten. Het laatste partijcongres heeft zich uitgesproken voor het serieus werk maken van duurzaamheid. Een belangrijke ontwikkeling is ook dat het bedrijfsleven van het belang van duurzaamheid doordrongen lijkt te zijn. Dat is voor een ondernemerspartij als de VVD een belangrijke factor.

De VVD lijkt de opvattingen van D66 ten aanzien van ‘voltooid leven’ te delen, maar voor die partij heeft dat onderwerp geen prioriteit, zoals in elk geval Mark Rutte al eens liet doorschemeren. Voor zo’n vijfpartijencoalitie lijkt dit onderwerp geen onoverkomelijk probleem te zijn: behalve CDA en ChristenUnie staat ook de SP uiterst kritisch tot afwijzend tegenover een voorstel in de geest van D66.

Het grote struikelblok zou – opnieuw – immigratie kunnen zijn. Soms kan het verstandig zijn een kwestie blauw-blauw te laten, vanuit de overweging: komt tijd, komt raad. Maar dit onderwerp staat voortdurend op de agenda en daarom moeten daarover afspraken worden gemaakt. Bovendien is deze kwestie zo sterk gepolariseerd dat elk beleid per definitie springstof bevat, maar ook dat het zich nauwelijks voor een compromis leent. Op dit punt zou de ChristenUnie wel eens het meest uitgesproken kunnen zijn. Bij de PvdA vraag je je toch voortdurend af hoe sterk ze in haar schoenen staat tegenover partijen die op dit punt andere opvattingen hebben. De opstelling van de partij ten tijde van het laatste kabinet-Rutte geven reden tot twijfel op dit punt, ook al moet daarbij rekening gehouden worden met de consequenties van deelname aan een kabinet met de VVD. Maar ook de SP is op het punt van immigratie niet zo duidelijk. In feite is de ChristenUnie de enige die de rechtsstaat en internationale verdragen tot op de punten en de komma’s wil respecteren. Dat zou uitgangspunt van beleid moeten zijn en de ChristenUnie zou hier als ‘motorblok’ kunnen fungeren. Maar helaas is in het huidige politieke en maatschappelijke klimaat respect voor de rechtsstaat niet iets wat alle partijen verbindt.

Maar die rechtsstaat is wel onopgeefbaar. Als dat een breekpunt is, het zij zo. Dat is het meer dan waard.

Dodenherdenking is niet waardenvrij

Tags

, , , , , , ,

Over de Dodenherdenking die al sinds jaar en dag op 4 mei plaatsvindt, is weer eens heibel ontstaan. Ik zeg: weer eens. Want discussie over de aard van de Dodenherdenking is bepaald niet nieuw. In het recente verleden is er gedoe geweest over de vraag of vertegenwoordigers van het Duitse volk aan de herdenking mochten deelnemen. Nog vorig jaar leidde het plan van het gemeentebestuur van Vorden om ook omgekomen Duitse soldaten te herdenken tot felle protesten. Een joodse organisatie huurde een reclamevliegtuigje dat boven Vorden vloog met de banner “Vorden is fout”.

Dit jaar is het een plan van Rikko Voorberg, protestants theoloog en voorganger van een zogenaamde ‘pop-upgemeente’, dat de nodige commotie veroorzaakt. Hij wil 3000 papieren kruisjes plaatsen in het gras van het Rembrandtplein in Amsterdam om op die manier de vluchtelingen te herdenken, die op hun vlucht naar Europa zijn omgekomen. Op dat plan zijn veel negatieve reacties gekomen, niet alleen van degenen die al die aandacht voor vluchtelingen overdreven of zelfs misplaatst vinden en hen als ‘gelukzoekers’ wegzetten. Ook opiniemakers en politici die de vluchtelingen een warm hart toedragen en zich voor hen inzetten, keuren het plan af en zijn van mening dat op deze manier de Dodenherdenking van zijn karakter wordt beroofd. Het CIDI roept het Amsterdamse gemeentebestuur zelfs op hier een stokje voor te steken (1).

Dat laatste is enigszins merkwaardig. Weliswaar zijn er officiële herdenkingen, die door de overheid worden georganiseerd en geregisseerd, maar voor het overige staat het elke burger of groepen burgers vrij zelf een invulling aan Dodenherdenking te geven. Voorzover de openbare orde niet in gevaar wordt gebracht of de officiële herdenking niet wordt verstoord, heeft de overheid geen middelen ‘alternatieve’ herdenkingen te verbieden. De oproep is ook nogal pijnlijk, want een verbod is eigenlijk alleen te realiseren wanneer wetsartikelen uit de kast getrokken worden die niet bedoeld zijn voor situaties als de onderhavige. Daarmee zou de rechtsstaat worden aangetast. En is dat nu niet één van de zaken die in de Tweede Wereldoorlog in geding waren en hebben juist voor ook het herstel daarvan mensen niet hun leven opgeofferd?

Ik heb de opvatting voorbij zien komen dat het bedoelde plan ertoe zou bijdragen dat het belang van de Holocaust wordt gereduceerd. Dat is een merkwaardige stellingname. De Dodenherdenking gaat immers niet in de eerste plaats over de joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Dat is nooit het geval geweest. “In eerste instantie was de herdenking alleen voor militaire oorlogsslachtoffers. In 1960 werden hier, na kritiek vanuit de (Joodse) gemeenschap, ook de meer dan 100.000 weggevoerde en vermoorde Joden aan toegevoegd, die daarvoor niet genoemd werden tijdens de herdenking” (IsGeschiedenis). Sindsdien worden allen herdacht, die tijdens de Tweede Wereldoorlog als gevolg van oorlogshandelingen zijn omgekomen of het slachtoffer werden van vervolging door de bezetter. In 1961 is het onderwerp van de Dodenherdenking nog verder opgerekt. Op de site van het Nationaal Comité 4 en 5 mei staat te lezen: “Tijdens de Nationale Herdenking herdenken we de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en oorlogssituaties en vredesmissies nadien.” Daarmee is de oorspronkelijke bedoeling van Dodenherdenking al ondermijnd.

Met deze verbreding is ook de deur naar controverse en meningsverschillen opengezet. Want terwijl over de Tweede Wereldoorlog een grote mate van consensus bestaat, roepen latere militaire activiteiten nogal wat discussie op. Zelfs de strijd tegen de Japanse bezetter van voormalig Nederlands-Indië ligt gevoelig, aangezien de Nederlandse militaire acties – zeker in de latere perceptie – verweven zijn geraakt met de verdediging van het kolonialisme. Wie dus klaagt dat het oorspronkelijke karakter van Dodenherdenking wordt aangetast en dat een gebeurtenis waarin we als Nederlandse samenleving – over politieke en maatschappelijke scheidslijnen heen – één zouden moeten zijn, speelbal wordt van politieke meningsverschillen, is vele jaren te laat. Hij of zij had veel eerder aan de bel moeten trekken.

Overigens is het de vraag of dat veel verschil zou hebben gemaakt. Natuurlijk is het mogelijk zich bij een herdenking tot het stilstaan bij een gebeurtenis uit het verleden te beperken en geen pogingen te doen een brug naar het heden te slaan. Dat gebeurt – naar mijn inschatting – in het Verenigd Koninkrijk, waar men elk jaar in november stilstaat bij het einde van de Eerste Wereldoorlog. Inmiddels is niemand meer in leven die deze oorlog (bewust) heeft meegemaakt. Daarmee wordt het een steriel gebeuren, een traditie – zoals het Verenigd Koninkrijk er zovele kent – die een eigen leven gaat leiden, waarbij eigenlijk niemand zich nog van de betekenis bewust is.

In Nederland lijkt niemand voor zo’n soort herdenking te pleiten. Ook bij ons neemt het aantal mensen dat eigen herinneringen aan de oorlog heeft, af en met de tijd zullen ook diegenen van het toneel verdwijnen die van ouders of grootouders nog verhalen van hun wederwaardigheden hebben gehoord. Wil de Dodenherdenking dan niet een steriel gebeuren worden dat niets met onze werkelijkheid en ons leven te maken heeft, zal men zich toch de vraag moeten stellen welke lessen uit de Tweede Wereldoorlog en de gebeurtenissen die daartoe geleid hebben, getrokken moeten worden. En dan kom je onvermijdelijk in politiek vaarwater terecht.

Wie de discussies over dit onderwerp volgt, zal direct merken dat de politieke meningsverschillen die het debat in onze tijd in hoge mate bepalen, ook hier doorklinken. Sommigen zien de islam als het nieuwe gevaar en brandmerken haar als een fascistische ideologie. Anderen wijzen op de in toenemende mate kwetsbare positie van moslims in westerse samenlevingen. In de manier waarop zij bejegend worden, zien ze een parallel met de behandeling van de joden in de Europese geschiedenis, die haar dieptepunt vond in de jaren ’30 van de vorige eeuw en tenslotte leidde tot de Holocaust.

Past de herdenking van omgekomen vluchtelingen in dat plaatje? Het is in dit verband nuttig op te merken dat de visie op de Tweede Wereldoorlog en wat daaraan is vooraf gegaan, in de loop van de tijd is veranderd. Van het vroegere idealistische beeld dat de Nederlandse bevolking zich op grote schaal tegen de bezetter heeft gekeerd en de joden in bescherming heeft genomen, is niet veel overgebleven. Niet alleen is soms – op grotere schaal dan we graag willen toegeven – met de bezetter samengewerkt, vaker nog heeft men weggekeken en de joden en anderen die werden vervolgd aan hun lot overgelaten. Er moet ook op gewezen worden dat er in de jaren ’30 sprake was van veel naïviteit: de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in Duitsland en andere landen die zo’n fatale afloop zouden hebben, zijn niet of te laat onderkend. Dat heeft ertoe geleid dat vluchtelingen die aan het naderende onheil probeerden te ontkomen, in andere landen, en ook bij ons, allerminst met open armen zijn ontvangen.

Zou de herdenking van de Tweede Wereldoorlog niet bij uitstek een goed moment zijn om daarbij stil te staan? Zouden we aan het lot van vluchtelingen uit Nazi-Duitsland die een veilig heenkomen werd geweigerd, geen lessen voor onze tijd moeten trekken?

Daarmee is nog niet de vraag beantwoord of de Dodenherdenking daarvoor het meest geschikte moment is. De actie van Voorberg roept veel weerstand op. Dat is een factor om rekening mee te houden. Het is de vraag of hiermee niet het omgekeerde wordt bereikt van wat beoogd wordt. Anderzijds moeten we niet net doen, alsof Dodenherdenking zonder controverse mogelijk is. Wie daarvan geen levenloze traditie wil maken, moet accepteren dat over de invulling ervan en de lessen die we uit de gebeurtenissen van de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw moeten trekken, verschillen van mening bestaan. Dodenherdenking is niet waardenvrij.

Het zou goed zijn wanneer de samenleving zich hierover zou bezinnen. Daarbij kan dan ook de viering van Bevrijdingsdag in beeld komen. Want daaraan kan toch hopelijk wel wat meer inhoud worden gegeven dan het oppervlakkige volksvermaak, dat tegenwoordig de bevrijdingsfeesten overheerst? Laat het een dag van bezinning zijn waardoor in elk geval iets van de spanning van Dodenherdenking kan worden weggenomen.

(1) Dit berust op een bericht in De Telegraaf, dat onjuist blijkt te zijn. Zie een interview met Hanna Luden.

Volksvertegenwoordiging

Tags

, , , ,

Mag onze Tweede Kamer nog volksvertegenwoordiging heten? Volgens sommige opiniemakers – en sommige politici – niet, want de samenstelling van de Tweede Kamer wijkt nogal af van die van de bevolking als geheel. Vrouwen, kiezers van buiten de Randstad, mensen met een lage opleiding, etnische minderheden – ze zijn allemaal zwaar ondervertegenwoordigd.

De bezwaren daartegen mogen wel met een korreltje zout genomen worden. Laten we niet vergeten dat deze gegevens nogal selectief gehanteerd worden. De PVV pretendeert ‘het volk’ te vertegenwoordigen, maar hanteert een nogal beperkte definitie van dat begrip. Etnische minderheden zijn in de Tweede Kamer ondervertegenwoordigd, maar Geert Wilders zal daarvan niet wakker liggen. Laag opgeleiden stemmen vooral PVV en SP, dus als een substantieel deel van hen bij de verkiezingen thuis blijft, zullen ‘elitepartijen’ als D66 en GroenLinks dat publiek betreuren, maar misschien steken ze er heimelijk wel een vlaggetje voor uit.

Het is niet erg realistisch van de Tweede Kamer te verlangen dat alle groepen die je in de samenleving zou kunnen onderscheiden, daar naar rato vertegenwoordigd zijn. Welke groepen zijn relevant en welke niet? Hebben mensen die tot een bepaalde maatschappelijke groep behoren, per definitie gemeenschappelijke belangen? Bovendien, mensen behoren of rekenen zichzelf vaak tot meer dan één groep. Welke is dan beslissend? Wie vertegenwoordigt een zakenman met een Turkse achtergrond, die tegelijk ook een vrome moslim is?

Iedereen begrijpt en accepteert dat de Tweede Kamer in haar samenstelling geen spiegel van de gehele bevolking kan zijn. Een substantieel deel van de Nederlanders is minderjarig. Zij hebben geen actief kiesrecht en dus zeker geen passief kiesrecht. Wie verwacht dat de Tweede Kamer de bevolkingssamenstelling weerspiegelt, moet wel concluderen dat ze niet vertegenwoordigd zijn. Het aantal 70- en zelfs 80-plussers zal de komende jaren sterk toenemen. Maar niemand verwacht van iemand uit die groep zich verkiesbaar te stellen. Wie kan en wil op die leeftijd een baan voor meer dan 40 uur per week?

Aan het ideaal van de afspiegeling liggen ideeën over politiek ten grondslag die voor discussie vatbaar zijn. Het lijkt vooral te gaan om een botsing van belangen. Maar wat zijn de belangen van individuen of van maatschappelijke groepen? Daarover bestaan verschillende meningen. Kennelijk gaat het in de politiek toch vooral daarom: welke visie op de samenleving heb je als politicus of als politieke partij?

Dat relativeert ook het bezwaar dat etnische minderheden ondervertegenwoordigd zijn. Daarvan gaat de suggestie uit dat die identieke opvattingen over de samenleving hebben. Dat blijkt steeds weer niet het geval te zijn. Politici met bijvoorbeeld een Marokkaanse of Turkse achtergrond zijn zowel aan de linker- als aan de rechterkant van het politieke spectrum te vinden.

Dat in het politieke bedrijf hoger opgeleiden de toon aangeven is niet zo verbazingwekkend. Onze democratie is wel getypeerd als een ‘diplomademocratie’. De meeste politici hebben op z’n minst een middelbare opleiding genoten, maar een substantieel deel meer dan dat, zelfs bij die partijen die steunen op een electoraat waarin kiezers met een lagere opleiding oververtegenwoordigd zijn. Dat heeft alles te maken met de complexiteit van het politieke bedrijf. Een politicus die zijn taak serieus neemt, zal over de nodige kennis en vaardigheden moeten beschikken.

Burgers met een lagere opleiding zijn niet per definitie minder intelligent. Ze kunnen zich ook op andere wijze kwaliteiten eigen maken, die voor een politieke partij van nut zijn. Maar dan moeten ze wel in een politieke partij actief zijn. En dat is een deel van het probleem. Gebrekkige representatie is vaak het gevolg van gebrekkige participatie. Dat speelt zeker ook bij etnische minderheden een rol. Die zijn waarschijnlijk minder actief in politieke partijen. Daardoor worden hun kwaliteiten niet opgemerkt.

In ons systeem van evenredige vertegenwoordiging verloopt de kandidaatstelling via politieke partijen. Wie dus het Kamerlidmaatschap ambieert, moet zorgen dat hij over een netwerk binnen een partij beschikt. Het is dan aan de partij ervoor te zorgen dat ook zulke leden een faire kans krijgen de idealen van die partij via een Kamerlidmaatschap uit te dragen.

De Tweede Kamer is geen afspiegeling van de bevolking en ook niet van het gehele electoraat. Dat is ook nooit zo geweest. Ook zonder strikte representatie is de Tweede Kamer nog wel degelijk volksvertegenwoordiging. Zeker Kamerleden en politieke partijen zouden geen twijfel moeten zaaien aan de legitimiteit van deze volksvertegenwoordiging.

PvdA heeft een verhaal nodig

Tags

, , , , , , , , , , ,

Er is inmiddels al heel wat geschreven over de uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen. Het populisme is op z’n retour, zegt de een. Dat is schijn, betoogt een ander; de gevestigde partijen hebben een belangrijk deel van de agenda van populistische partijen overgenomen. Wellicht kom ik hier nog eens op terug, maar ik wil me hier concentreren op één aspect dat ook veel aandacht heeft getrokken: het enorme verlies van de PvdA.

Natuurlijk heeft die partij wel vaker in de storm gezeten. De laatste decennia heeft ze zowel pijnlijke nederlagen als glorieuze comebacks gekend. Maar wat er bij de laatste verkiezingen is gebeurd, is zonder precedent. Eén van de grootste partijen van Nederland, met een lange en eerbiedwaardige geschiedenis, is in één dag gereduceerd tot een kleine partij in de marge. Natuurlijk gebeurde dat strikt genomen niet in één dag: de voortekenen waren al niet goed. De peilingen lieten al zien dat het voor de PvdA slecht zou aflopen, maar daarin stond ze toch vrijwel altijd nog op meer dan tien zetels. Dus kwam de klap van woensdag 15 maart des te harder aan.

Als het met de PvdA niet zo goed gaat, ontstaat onrust. Dat zou bij andere partijen wellicht ook het geval zijn, maar de PvdA lijkt een bijzonder talent voor zelfdestructie te hebben. Allerlei goedbedoelde adviezen worden in de pers geventileerd, over wat de partij zou moeten doen en moeten laten. Het leidde tot een wisseling aan de top: Diederik Samsom, die bij de vorige verkiezingen er onverwacht zo’n goed resultaat had uitgesleept, werd aan de kant gezet en vervangen door Lodewijk Asscher. Die stond voor een bijna onmogelijke opgave. Als vice-premier kon hij het gevoerde beleid niet volledig afvallen, want dan zou hij in feite kritiek leveren op zichzelf. Tegelijk moest hij voldoende afstand nemen van het regeringsbeleid om de eigenheid van de PvdA te kunnen beklemtonen. Dat is hem niet gelukt. De PvdA-leden hadden het hem niet moeten aandoen. Zijn verkiezing was een duidelijk signaal van de paniek die bij de PvdA toesloeg. Angst is een slechte raadgever, ook nu: door paniekvoetbal heeft men dat over zich gehaald wat men wilde vermijden.

Nu begint de tijd van het wonden likken en analyseren. PvdA-coryfeeën zijn nooit te beroerd de verantwoordelijken aan de schandpaal te nagelen. Partijvoorzitter Hans Spekman is de eerste prominent die het veld moet ruimen. Het is als in de sportwereld: als de resultaten tegenvallen moet de coach verdwijnen. Daarbij wordt vaak verzuimd eens kritisch naar het eigen functioneren te kijken. Wanneer een partij als de PvdA, met een niet onaanzienlijk kiezerspotentieel, in de versukkeling raakt, is er meestal meer aan de hand dan het niet optimaal functioneren van bepaalde personen. Het gaat uiteindelijk niet om de poppetjes. Je kunt nog zulke briljante strategen aan het werk zetten, zonder een goede boodschap redden ze het niet. Een slecht product kun je niet verkopen.

Dus is de vraag wat er mis is. Uit de uitlatingen van (voormalige) PvdA-stemmers in de media komt naar voren dat velen vinden dat de partij de traditionele stemmers in de steek heeft gelaten. Wat verhevener geformuleerd: de PvdA heeft zich teveel door het neoliberalisme laten inpakken en ziet degenen die niet zo goed kunnen meekomen in de vaart der volkeren, over het hoofd. Dat is een ontwikkeling die al decennia plaatsvindt, vooral sinds de PvdA onder Wim Kok haar ideologische veren afschudde. Daar was wel een reden voor: wilde de PvdA de band met die kiezers die het inmiddels beter hadden gekregen, niet verliezen en voorkomen dat die naar bijvoorbeeld D66 zouden verdwijnen, dan moest ze haar boodschap aanpassen, zo was de gedachte.

Het is al herhaaldelijk geconstateerd dat onze samenleving gekenmerkt wordt door allerlei scheidslijnen, bijvoorbeeld door verschillen in opleiding en inkomen. Mensen die tot verschillende lagen behoren, komen elkaar nog sporadisch of helemaal niet tegen. Wanneer mensen nog maar weinig gemeen hebben, hoe kun je die dan toch in één organisatie bijeenbrengen?

Ik hoorde geluiden dat de PvdA vooral naar D66 en GroenLinks moet kijken om ideeën op te doen over hoe het verder moet. Dat lijkt me geen goed advies. Want deze partijen betrekken hun aanhang vooral uit de hogere sociale klassen: het zijn mensen met een meer dan gemiddelde opleiding en een meer dan gemiddeld inkomen. Traditionele PvdA-kiezers zijn niet naar die partijen uitgeweken, maar naar SP en PVV. Zijn dat dan inspiratiebronnen? Nee, niet echt. De PVV heeft geen leden en doet niets om mensen aan de partij te binden. De achterban bestaat grotendeels uit mensen met een lagere opleiding en dito inkomen. Dat geldt tot op zekere hoogte ook voor de SP, ook al kent die wel academisch gevormde leden, ook onder de vertegenwoordigers in de Kamer, in Provinciale Staten en gemeenteraden.

We leven in een tijd van individualisme. Veel mensen denken in de eerste plaats of zelfs uitsluitend aan hun eigen belang. Wanneer de belangen van de verschillende sociale klassen tegengesteld zijn, wordt het vrijwel onmogelijk die bij elkaar te brengen in één organisatie. De christelijke partijen hebben daar niet zoveel problemen mee. Ze betrekken hun aanhang vooral uit mensen die lid zijn van een kerk en dat is tegenwoordig nog bijna de enige ‘organisatie’ waar mensen uit verschillende sociale lagen elkaar tegenkomen en met elkaar omgaan, en dan ook nog eens op voet van gelijkheid. Doordat ze geworteld zijn in het christelijk geloof hebben die partijen hun aanhangers een groot verhaal te bieden dat het particulier of groepsbelang overstijgt.

Daarin ligt de toekomst voor de PvdA. Sommigen in de partij lijkt het te gaan dagen, zoals Agnes Jongerius, jarenlang voorzitter van de FNV en tegenwoordig Europarlemantariër voor de PvdA. In een artikel in Trouw wordt ze aldus geciteerd: “Misschien is het wel misgegaan onder Wim Kok, toen die de ‘derde weg’ insloeg, eind jaren tachtig. De gedachte was: we moeten de oude tegenstelling tussen kapitaal en arbeid overbruggen, de oude twistpunten achter ons laten. De paarse kabinetten, met PvdA, VVD en D66, waren daar een uitdrukking van. Daarmee is ook een beweging ingezet waarin de economie meer en meer als een gegeven werd beschouwd, niet als iets waarover politieke keuzes gemaakt kunnen worden. Hoogstens werden her en der nog wat scherpe kantjes afgeschaafd.” Met andere woorden: het afschudden van de ideologische veren was een vergissing. Merijn Oudenampsen, politicoloog aan de Universiteit van Tilburg, onderschrijft deze analyse: “”De afgelopen twintig jaar heeft de PvdA aan haar aanhangers verteld dat zij hun verwachtingen moeten temperen”, schrijft hij. “Dat een werkelijk linkse politiek niet mogelijk is.” De overheid kan niet alles oplossen, was de boodschap. De zorg voor kwetsbaren, het klimaat, discriminatie, werkgelegenheid: laat het maar liever over aan de markt. En bezuinigingen zijn onvermijdelijk, er is geen andere keuze.”

Om ‘arbeiders’, ‘intellectuelen’ en goedverdienende kosmopolieten te kunnen binden, moet de PvdA een groot verhaal hebben, een ideologie die duidelijk maakt waar ze voor staat. Ze moet duidelijk maken dat de ontwikkeling van de economie geen autonoom proces is, maar voor een belangrijk deel gestuurd wordt door politieke beslissingen. Dat impliceert dat ook andere beslissingen mogelijk zijn.

Minister Plasterk suggereerde dat de PvdA zich bij GroenLinks zou kunnen aansluiten. Dat getuigt van onbegrip voor de oorzaak van de problemen, want de traditionele PvdA-kiezer voelt zich tot GroenLinks niet aangetrokken. Die zal dan definitief afhaken. Een beweging in de richting van de SP ligt meer voor de hand. Die is ooit opgericht als marxistisch alternatief voor de sociaal-democratie. Inmiddels is van dat marxisme niet veel overgebleven maar de ideologische inslag is niet verdwenen. Die ideologie wordt vaak op een nogal rigide manier gehanteerd en dat zorgt ervoor dat deze partij niet van de neergang van de PvdA kan profiteren. Ook heeft de SP nogal sterk populistische trekken waardoor feiten en analyses vaak tekort schieten. Van een vereniging van PvdA en SP zouden beide kunnen profiteren.

Ook wie geen sociaal-democraat is en nooit op de PvdA zal stemmen, zal toch kunnen inzien dat een sociaal-democratie die duidelijk aanwezig is in het politieke krachtenveld van groot belang is voor de maatschappelijke vrede. Voorzien van een duidelijk verhaal kan ze onvrede kanaliseren en de verantwoordelijkheid leggen waar die hoort: bij de overheid en de partijen die samen het beleid bepalen. Ze kan daarmee ook een dam opwerpen tegen het populisme dat maatschappelijke onvrede misbruikt voor een nationalistische agenda.

Op zoek naar een identiteit

Tags

, , , , , , , ,

“It’s the economy, stupid!” Dat is een gevleugelde uitspraak geworden waarmee gezegd wil zijn dat het in verkiezingscampagnes uiteindelijk altijd om de economie draait. Maar als niet alle voortekenen bedriegen en er niet ineens een grote financiële of economische crisis uitbreekt, zal het bij de verkiezingen die in diverse Europese landen dit jaar zullen plaatsvinden, niet in de eerste plaats over de economie gaan. De thema’s immigratie en integratie zullen de hoofdrol spelen, al komt ook daarin de economie wel om de hoek kijken. De presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten lijken een voorbode te zijn geweest van wat we ook in Europa kunnen verwachten. Mensen die economisch in de knel zitten – of in elk geval dat zelf zo ervaren – geven immigranten daarvan de schuld of, als ze dat uit eigen beweging niet doen, laten zich door politici ervan overtuigen dat daar het probleem ligt. Het heeft er mede toe bijgedragen dat Donald Trump de komende vier jaar president van de VS zal zijn.

Integratie en immigratie zijn al heel lang een belangrijk onderwerp in verschillende Europese landen en dat is nog sterker het geval sinds de aanslagen die de laatste jaren de westerse samenlevingen hebben opgeschrikt. Tot nu toe is Nederland daarvan verschoond gebleven, maar dat heeft er niet toe geleid dat het debat hier op een meer ontspannen wijze verloopt dan elders. Het tegendeel is het geval. De samenleving raakt steeds meer verdeeld in kampen die op dit punt diametraal tegenover elkaar staan. Met een variant op een beroemde passage uit een gedicht van Rudyard Kipling: het lijkt erop dat “never the twain shall meet”.

Politici en opiniemakers in verschillende Europese landen hebben de laatste jaren om het hardst geroepen dat de multiculturele samenleving is mislukt. Maar wat bedoelden ze daarmee? Dat is niet zo eenvoudig te zeggen, aangezien lang niet altijd duidelijk is wat men eigenlijk onder ‘multiculturele samenleving’ verstond. Het lijkt erop dat men verwachtte dat immigranten enthousiast de westerse cultuur zouden omarmen en zich op die manier zonder al te veel problemen in de samenleving zouden invoegen. Maar dat viel tegen.

De afstand tussen wat bij ons bon ton is en wat immigranten als culturele en ideologische bagage – niet zelden religieus geïnspireerd – meebrengen is groter dan verwacht werd. Bovendien blijkt wat de westerse samenleving te bieden heeft, veel minder aantrekkelijk dan velen bij ons denken. Te lang is vooral ook de invloed van de religie onderschat. Doordat die bij ons inmiddels een marginaal verschijnsel is geworden, heeft de samenleving een blinde vlek gekregen voor het belang van de religie voor veel immigranten. De gedachte heeft post gevat dat religie iets van het verleden is en ‘niet meer van deze tijd’, om een vaak gehanteerde en van gemakzucht getuigende dooddoener te gebruiken. Dat juist voor veel immigranten hun religie een deel van hun identiteit is, brengt de westerse samenleving in grote verwarring.

Maar is assimilatie – want daar komt het hier omschreven ideaal op neer – wel iets waarnaar gestreefd zou moeten worden? Erg realistisch is het in elk geval niet. Wanneer een religie en de daaruit voortvloeiende cultuur deel van iemands identiteit zijn, ligt het niet erg voor de hand dat nieuwkomers die zomaar afwerpen. Cultuur is meer dan een jasje dat je aan- en uittrekt. Voor religie geldt dat in nog sterkere mate. Juist christenen zouden dat moeten begrijpen. Zij steigeren wanneer seculieren suggereren dat godsdienst iets persoonlijks is dat achter de voordeur moet blijven en dat je thuis moet laten als je je huis verlaat.

Maar wat dan wel? Van immigranten mag – zoals van iedereen die zich binnen onze landsgrenzen ophoudt – worden verwacht dat ze zich aan de wetten houden. Wanneer dat niet het geval is, krijgen ze met het justitiële apparaat te maken, net als elke geboren Nederlander. Maar van niemand mag geëist worden dat hij het met die wetten eens is of de idealen die daaraan ten grondslag liggen, onderschrijft. Dat wordt van hier geboren Nederlanders ook niet gevraagd. Er zijn heel wat christenen die het met allerlei wetten niet eens zijn en die graag gewijzigd zouden zien of zouden zien verdwijnen. Daar hoef je trouwens geen christen voor te zijn. Een belangrijk deel van de activiteiten van politici en politieke partijen bestaat immers uit het streven naar wijziging van bestaande wetgeving. Het staat iedere partij vrij de verkiezing van burgemeesters te bepleiten, terwijl toch in de grondwet staat dat die door de Koning benoemd worden. De grondwet is niet in graniet gegoten. Het wijzigen van een grondwetsartikel is een langdurig en gecompliceerd proces, maar het is niet onmogelijk en het streven ernaar niet verboden. Toen Pim Fortuyn ooit pleitte voor het afschaffen van het grondwetsartikel dat ongelijke behandeling verbiedt, was Nederland te klein. Terecht werd daarop zware kritiek uitgeoefend, maar het stond hem uiteraard geheel vrij daarvoor te pleiten. Zo mogen moslims natuurlijk pleiten voor invoering van de sharia. Dat behoort allemaal tot de vrijheid van meningsuiting.

De consequentie van het bovenstaande is ook dat er geen reden is degenen die het staatsburgerschap ontvangen een speciale verklaring te laten ondertekenen waarin ze beloven de wetten te respecteren en een aantal waarden te onderschrijven. Het eerste spreekt vanzelf, het tweede zou een ongelijke behandeling van ingezetenen en nieuwkomers zijn. Dat is – hoe ironisch – in strijd met juist één van die waarden, die nieuwkomers worden geacht te onderschrijven.

Het hoogst haalbare is een samenleving waarin verschillende culturen naast elkaar bestaan. Het spannende is hoe de deelnemers aan de samenleving – en dat zijn alle mensen die zich op Nederlands grondgebied bevinden – erin slagen tot een bepaalde modus vivendi te komen. Het streven van alle deelnemers zou moeten zijn een zodanig manier van samenleven te vinden dat iedereen zoveel mogelijk zijn culturele identiteit kan behouden zonder elkaar in de weg te zitten. Dat kan alleen slagen als alle deelnemers elkaar gelijke rechten gunnen. Het spreken over een dominante cultuur – soms in het Duits als Leitkultur aangeduid – past daar niet in. Iedereen in Nederland heeft het recht aan de samenleving bij te dragen en de cultuur mede vorm te geven. Bijna als vanzelf wordt vaak gesproken over ‘onze’ cultuur als de traditionele witte Nederlandse cultuur wordt bedoeld. Maar daarmee worden als vanzelf andere culturen en hun vertegenwoordigers uitgesloten. ‘Onze’ cultuur is allang niet meer wit, want al decennia wonen hier mensen uit de voormalige koloniën die net zo Nederlands zijn als degenen die hen willen uitsluiten. En inmiddels is de Nederlandse samenleving nog veel meer van kleur verschoten.

Maar we moeten nog een stap verder gaan. Zelfs al waren al die kleuren hier niet vertegenwoordigd, dan was Nederland nòg een multiculturele samenleving. Er is geen sprake meer van een dominante cultuur: de traditionele witte Nederlandse cultuur is in vele subculturen uiteen gevallen. In de tijd van de verzuiling waren er grote religieuze en ideologische verschillen tussen Nederlandse burgers. Maar tegelijkertijd waren er nog een aantal waarden die door vrijwel iedereen – of in elk geval het overgrote deel van de bevolking – werden gedeeld. Die waren voor een belangrijk deel het resultaat van de dominantie van het christendom, die in hoge mate cultuurvormend heeft gewerkt. Maar inmiddels is die invloed uiterst gering geworden. Dat heeft ertoe geleid dat datgene wat als kenmerkend voor de Nederlandse cultuur gold in hoge mate van karakter is veranderd. In veel gevallen is de christelijke oorsprong niet meer herkenbaar of is aan traditionele christelijke waarden een zodanig andere inhoud gegeven dat ze bijna in hun tegendeel zijn verkeerd. Er is dan ook weinig reden de witte Nederlandse cultuur van het etiket ‘joods-christelijk’ te voorzien. Dat is nog te meer het geval omdat degenen die deze term in de mond nemen en als politiek wapen gebruiken, er regelmatig blijk van geven van de oorsprong van die cultuur niets te willen weten. Wie niet weet wat het christelijk geloof inhoudt of daarvan afstand neemt, zou zich niet van die terminologie moeten bedienen.

Betekent dit dat er geen Nederlandse identiteit bestaat? Degenen die van mening zijn dat we onze identiteit moeten bewaren en beschermen, hebben er vaak nogal wat moeite mee die precies te omschrijven. Een verwijzing naar de grondwet of daarvan afgeleide wetten voldoet niet, ook al omdat die vaak niet principieel afwijken van die in andere landen. Die zeggen dus weinig of niets over wat nu de Nederlandse identiteit is. Je kunt wijzen op allerlei tradities. Maar van niemand kan verlangd worden dat hij zich daaraan conformeert. Er zijn immers genoeg geboren Nederlanders die daarvan afstand houden of die zelfs expliciet verwerpen. Wanneer voor hen plaats is in de samenleving, waarom dan niet voor nieuwkomers die niet de behoefte hebben die te omhelzen? Eén van de waarden van ons land is dat elke staatsburger gelijke rechten heeft. Dat betekent dus dat iedere Nederlander het recht heeft te pleiten voor het behoud van bepaalde tradities, maar ook voor het verdwijnen daarvan. Uiteindelijk hangt het voortbestaan van tradities – per definitie nergens zwart op wit vastgelegd, laat staan voorgeschreven – af van het maatschappelijk draagvlak. Wanneer het draagvlak verdwijnt, wordt ook de traditie bijgezet in het museum.

Als er iets is dat tot de Nederlandse identiteit behoort, is dat het streven mensen met heel verschillende culturele, godsdienstige en ideologische bagage vreedzaam te laten samenleven. Dat is geen samenleving van ‘leven en laten leven’: het naast elkaar bestaan van culturen impliceert niet een gebrek aan interesse voor de andere culturen en zelfs niet de afwezigheid of het tot elke prijs vermijden van conflict. Conflicten als zodanig zijn het probleem niet. Het wordt pas een probleem als gesprekspartners elkaar het recht ontzeggen er een bepaalde mening op na te houden of daaraan uiting te geven. De verzuiling zoals we die tot de jaren ’60 van de vorige eeuw kenden, kan daarbij een goede leidraad zijn.

Die verzuiling was helemaal zo gek nog niet.

Handhaaft en beschaaft

Tags

, , , , , ,

Bijna 40 jaar geleden, toen ik aan de Universiteit van Utrecht studeerde, werd in de studentenvereniging waarvan ik lid was, met nauwelijks verholen afkeer gesproken over het ‘corps’, zoals het Utrechts Studenten Corps (USC) kortweg werd genoemd. De leden werden kortweg als ‘corpsballen’ aangeduid en dat was niet als compliment bedoeld. Er kwamen regelmatig verhalen voorbij over wangedrag en zeker niet alleen tijdens de ontgroening. De ‘corpsballen’ werden ook als arrogant beschouwd, als mensen die dachten dat ze iets bijzonders waren en dat regels die voor ‘gewone mensen’ golden, op hen niet van toepassing waren.

Dat waren ongetwijfeld deels vooroordelen. Bovendien werden alleen de uitwassen gesignaleerd waaraan vast niet alle leden zich schuldig maakten. En studenten die van andere verenigingen lid waren, waren heus ook niet altijd van die lieverdjes. Maar toch, de recente verhalen over misstanden in Groningen laten zien dat bepaalde verenigingen er wel alles aan doen om vooroordelen te bevestigen. Dat gebeurt niet alleen door die gebeurtenissen zelf maar zeker ook – en misschien nog wel meer – door de manier waarop de verantwoordelijken, in casu de bestuursleden, met dit soort incidenten omgaan. Ze wekken voortdurend de indruk de reikwijdte van die incidenten en de gevolgen voor de beeldvorming niet te begrijpen. Wat dat betreft doen ze wel heel erg denken aan leidende figuren uit de bankenwereld en de top van het zakenleven die tijdens de bankencrisis en de economische neergang die daarvan het gevolg was, met stomheid geslagen waren toen ze geconfronteerd werden met de maatschappelijke commotie over de salarisverhogingen en miljoenenbonussen die ze zichzelf toekenden. Wanneer de leden van Vindicat en vergelijkbare clubs inderdaad, zoals vaak beweerd wordt, uiteindelijk deel gaan uitmaken van het old-boys-network en langs die weg aan de top van financiële en economische instellingen komen te staan, hebben ze zich in elk geval goed voorbereid. Een betere leerschool in naïviteit en wereldvreemdheid hadden ze zich niet kunnen wensen.

Inmiddels is de commotie zo groot dat ook de universiteitsbestuurders wakker lijken te zijn geworden. Jarenlang hebben ze er het zwijgen toe gedaan. Ze hebben weggekeken, misstanden als incidenten afgedaan en zich met de fopspeen van ‘protocollen’ laten zoet houden. Nu ineens willen ze stevige maatregelen gaan nemen en er zelfs voor zorgen dat geen ontgroeningen meer plaatsvinden. Hoe ze dat willen gaan aanpakken is niet geheel duidelijk. Hun mogelijkheden zijn beperkt, want het gaat om zelfstandige organisaties. Die mogen hun eigen beleid bepalen en de bevoegdheden van universiteiten strekken zich niet uit tot het interne beleid van zulke verenigingen. Hooguit zouden allerlei faciliteiten waarvan zulke verenigingen profiteren, kritisch onder de loep genomen kunnen worden. Maar daar is men wel rijkelijk laat mee.

De recente ophef over misstanden is niet uniek. Regelmatig berichten de media over calamiteiten maar na verloop van tijd wordt het weer stil en gaat het weer als vanouds. Steeds weer bezweren besturen dat ze incidenten betreuren en afkeuren, dat ze de zaak tot op de bodem zullen uitzoeken en de protocollen zullen aanscherpen. Maar dat zet weinig zoden aan de dijk. Protocollen hebben een beperkte reikwijdte. Net zoals een wet of een verenigingsreglement kan een protocol niet in alle gevallen voorzien. Er kan zich altijd weer een incident voordoen waarover nu net niets geregeld is in het protocol. Bovendien onttrekt zich een deel van het contact tussen leden en aspirant-leden aan de openbaarheid, ook binnen een vereniging. En dan zijn er natuurlijk ook altijd nog manieren om mensen te intimideren en lichamelijk of psychisch te vernederen waartegen geen enkele protocollaire bepaling is opgewassen. De menselijke geest is creatief, en helaas niet altijd ten goede.

Bestrijding van misstanden is vooral daarom zo lastig omdat in de meeste gevallen geen aangifte wordt gedaan door de slachtoffers. Het schijnt de gewoonte te zijn van (aspirant-)leden te eisen dat ze niets naar buiten brengen van wat zich binnen de vereniging, ook tijdens de ontgroening, afspeelt. Hier zou de overheid kunnen en moeten ingrijpen. Toen de rooms-katholieke kerk zich voornam, gevallen van seksueel misbruik intern af te handelen, ontstond daarover grote commotie in de samenleving en de politiek. Het werd onaanvaardbaar geacht dat verdachten zich op deze wijze aan strafrechtelijke vervolging zouden kunnen onttrekken. Waarom zouden degenen die verantwoordelijk zijn voor misstanden binnen de corpora zich dan wèl aan het strafrecht mogen onttrekken? Wie aangifte doet, moet een boete betalen. In het geval van Vindicat bedraagt die 25.000 Euro. Zo bont heeft de rooms-katholieke kerk het nog nooit gemaakt. Wanneer een studentenvereniging het karakter van een secte gaat aannemen, moet ze door de overheid ook maar als zodanig behandeld worden.

Ik wees er al op dat corpora steeds schermen met protocollen. Afgezien van het feit dat die aspirant-leden kennelijk onvoldoende veiligheid bieden, blijven ze ook altijd aan de buitenkant. Het zijn administratieve maatregelen die de mentaliteit van een corps onaangetast laten. Het feit dat protocollen nodig zijn, is een veeg teken. Er staan meestal zaken in die volstrekt vanzelf zouden moeten spreken. Maar dat is blijkbaar niet het geval en dat is precies het probleem. Het moet eerst tussen de oren gaat zitten. Er moet een fundamentele gedragswijziging komen waardoor mensen in verschillende posities – lid en nog-niet-lid – op een respectvolle manier met elkaar omgaan. Maar dat zal een lang proces zijn dat alleen tot resultaat kan komen wanneer bij alle betrokkenen de oprechte wil tot verandering aanwezig is. Maar gezien de sociale strata waaruit de corpora hun leden betrekken valt te vrezen dat ze al met een bepaalde mentaliteit behept zijn als ze van zulke verenigingen lid worden. Dat zal ook de reden zijn dat er meestal geen klachten worden ingediend. Wellicht heeft men van huis uit meegekregen dat dit normaal is. Bovendien is het lidmaatschap het toegangsbewijs tot het old-boys-network en dat laat je niet zo maar lopen.

Inmiddels is wel duidelijk geworden dat ook binnen de financieel-economische wereld de mentaliteit niet structureel veranderd is. Wie wel bereid is afscheid te nemen van de heersende mentaliteit wordt uitgekotst en naar de zijlijn gemanoeuvreerd, zoals Joris Luyendijk al herhaaldelijk heeft aangetoond. Gezien de nauwe verbondenheid tussen deze wereld en die van de corpora hoeven we ons over veranderingen bij de laatstgenoemden geen illusies te maken. Zolang het lidmaatschap van een vereniging als Vindicat de weg is naar maatschappelijke privileges zal alles bij het oude blijven.

De volledige naam van het Groningse corps luidt: Vindicat Atque Polit. Dat betekent “handhaaft en beschaaft” – in elk geval dat laatste is nog niet erg gelukt.

Zonder last of ruggespraak

Tags

, , , , , , , ,

De Tweede Kamer heeft, na veel vijven en zessen, het voorstel van D66 tot invoering van het zogenaamde Actief DonorRegistratie-systeem aanvaard. Dat heeft heel wat pennen en tongen in beweging gebracht. Ik heb elders uitgelegd waarom dit systeem mijns inziens geen steun verdient. Het stemde me dan ook tevreden dat de partij die bij verkiezingen mijn stem krijgt, de ChristenUnie, zich tegen het voorstel verklaarde.

Maar daarmee is niet iedereen ingenomen. Er zijn diverse artikelen in christelijke kring verschenen waarin wordt gepleit voor een positieve opstelling ten aanzien van dit systeem. Eén van de scribenten is Gijsbert van den Brink, hoogleraar Theologie & wetenschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam, die in het Nederlands Dagblad een artikel publiceerde onder de titel ‘Treurig dat christenen tegen waren’. Ik laat het betoog als zodanig nu rusten, maar wil de aandacht vestigen op de slotalinea’s, onder het tussenkopje ‘Vreemde unanimiteit’. Daarin schrijft hij: “De unanieme afwijzing in de Tweede Kamer is op z’n minst merkwaardig, gezien het feit dat er in de achterban van de christelijke partijen heel verschillend over het nieuwe voorstel wordt gedacht. Zou het ook in CDA, CU en SGP op zijn minst een ‘vrije kwestie’ mogen worden, of is dat al te veel gevraagd? Als dat voor de stemming geen enkel verschil zou maken, is het de vraag of zij het – op dit punt gemêleerde – christelijke bevolkingsdeel wel vertegenwoordigen.”

Dat is een vraag die uiteraard niet alleen bij dit onderwerp gesteld kan worden. Er zijn ongetwijfeld veel kwesties waarover binnen de achterban van een partij verschillend gedacht wordt. Zouden die verschillen ook niet in het stemgedrag van een fractie tot uiting moeten komen?

Daartegen zijn de nodige praktische bezwaren in te brengen. Hoe zou dat moeten functioneren? Moet een fractie Maurice de Hond in de arm nemen om de meningen van de achterban te peilen? Het lijkt me al lastig als hij zich daarbij zou beperken tot de partijleden, maar als die peiling zich zou moeten uitstrekken tot alle kiezers die bij de laatste verkiezingen op de desbetreffende partij gestemd hebben, wordt het allemaal nog ingewikkelder. En bij welke onderwerpen zouden de meningen gepeild moeten worden?

Veel belangrijker zijn bezwaren van meer principiële aard. Om te beginnen: kamerleden stemmen – zo is dat in de Grondwet geregeld – “zonder last”. Dat wil zeggen: “zonder een bindend mandaat. Ieder Kamerlid is vrij om te stemmen zoals hij zelf wil”. Tot 1983 werd hier de term “zonder last en ruggespraak” gebruikt. Dat geeft nog iets duidelijker aan waarom het hier gaat. Het betekent dat een lid van de Tweede Kamer niet door de partij of door wie dan ook verplicht kan worden op een bepaalde manier te stemmen. Hij kan zich dus ook niet op een opiniepeiling beroepen om in een bepaalde zin te stemmen. Dat komt vooral in de term ‘ruggespraak’ tot uiting. Van den Brink suggereert met zoveel woorden dat de leden van een fractie zo moeten stemmen dat de meningen van de achterban tot uitdrukking komen. Maar dat is dus in strijd met de Grondwet.

Hij gaat er ook te gemakkelijk van uit dat de leden van de christelijke fracties aan fractiediscipline onderworpen waren. Hij levert daarvoor geen bewijs: alleen het feit dat alle fractieleden tegen stemden kan niet als bewijs dienen. Bij het CDA lijkt daarvan in elk geval geen sprake te zijn geweest; er is al gesuggereerd dat binnen de CDA-fractie in de Eerste Kamer – die ook nog het voorstel moet behandelen – enkele leden wellicht voor het voorstel zullen stemmen. Maar ook in het geval van CU en SGP ben ik ervan overtuigd dat wanneer één of meerdere fractieleden tot de conclusie waren gekomen dat ze hun stem aan het voorstel moesten geven, ze daarvoor de ruimte zouden hebben gekregen. Zelfs als ze die vrijheid niet hadden gekregen, hadden ze die mogen nemen, met een beroep op de grondwet. Gezien de grote achting van de christelijke partijen voor het staatsrecht zou dat geen gevolgen hoeven hebben.

De suggestie dat in het stemgedrag van een fractie alle verschillende meningen binnen de achterban hun uitdrukking zou moeten vinden is ook in strijd met het karakter van het parlementaire stelsel. Het wezenskenmerk daarvan is dat de burger de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van zaken die ter tafel komen overdraagt aan door hem via de stembus aangewezen vertegenwoordigers. Hij heeft in de meeste gevallen niet de tijd zich met al die onderwerpen bezig te houden en het ontbreekt hem meestal aan deskundigheid om een verantwoorde beslissing te nemen. Maar wie de beslissingsbevoegdheid uit handen geeft kan er zich vervolgens niet over beklagen dat de desbetreffende afgevaardigde een andere beslissing neemt dan hem wenselijk voorkomt. De afgevaardigde vertegenwoordigt immers niet alleen hem, maar nog vele andere kiezers, die wellicht een geheel tegengestelde opvatting huldigen. Bovendien: kan een kamerlid gedwongen worden een stem uit te brengen die haaks staat op zijn eigen overtuiging? Hier ligt ook het probleem met het referendum. Hoewel dat in Nederland slechts een raadgevende status heeft, wordt van de Tweede Kamer verwacht de uitslag daarvan te volgen. Dat betekent dat kamerleden tegen een verdrag moeten stemmen waar ze eigenlijk voor zijn. De geloofwaardigheid van de politiek wordt daardoor niet bevorderd maar juist verder ondermijnd. Van politici mag worden verwacht dat ze hun eigen geweten volgen – niet dat van iemand anders.

Van den Brink is bezweken voor de sirenezang van het populisme. Dat heeft waarschijnlijk te maken met zijn sterke opvattingen over het onderhavige onderwerp. Ik vermoed dat hij bij andere onderwerpen iets minder blij zou zijn met kamerleden die hun oren naar de meningen van hun achterban laten hangen. Maar juist bij zoiets fundamenteels als de manier waarop in Nederland de politieke vertegenwoordiging is vorm gegeven, is zorgvuldigheid en consistentie van het grootste belang.

De wraak van de losers

Tags

, , , , , , , ,

De laatste weken is Europa opgeschrikt door een aantal moordpartijen die veel slachtoffers hebben geëist. De publieke opinie is er inmiddels toe geneigd zulke misdaden automatisch op het conto van de islam te schrijven. Dat is wellicht begrijpelijk, gezien het feit dat we de laatste jaren een aantal aanslagen met vele slachtoffers hebben gezien die door ISIS werden opgeëist of door mensen werden gepleegd die zich door het gedachtegoed van ISIS hebben laten inspireren. Afgezien van het feit dat dit gedachtegoed niet met de islam mag worden geïdentificeerd blijkt bij nadere beschouwing de religieuze component niet altijd zo duidelijk aanwezig.

Het profiel van de dader van de aanslag in Nice, Mohamed Lahouaiej-Bouhlel, vertoont weinig trekken van een gelovige moslim. Hier en bij sommige eerdere gevallen lijkt er eerder sprake te zijn van een gebruik van de ideologie van ISIS als rechtvaardiging om tot geweld over te gaan terwijl de echte motieven ergens anders liggen. Wie kijkt naar de personen die de afgelopen jaren zich aan dit soort gewelddaden hebben schuldig gemaakt, ziet bepaalde parallellen. Het gaat vaak om (jonge) mensen die maatschappelijk weinig succes hebben gekend en ook sociaal een vrij geïsoleerd bestaan hebben geleid.

De moordaanslag in München bevestigt dit beeld. De dader was Ali David Sonboly, een jongeman van 18 jaar, die te kampen had met psychische problemen en daarvoor ook in behandeling was. Gemeld wordt dat hij te lijden had onder pesterijen en dat hij had gedreigd zich daarvoor te zullen wreken. Bij onderzoek van zijn huis bleek dat hij gefascineerd was door massale schietpartijen op scholen – met name die in Winnenden in 2009 – maar ook door Anders Breivik die in 2011 – op de dag af vijf jaar eerder – een massale slachting had aangericht onder deelnemers van een jeugdkamp in Noorwegen. In 2014 publiceerde Vrij Nederland een artikel waarin de Noorse journaliste Åsne Seierstad aan het woord komt. Zij schreef een boek over Breivik en nam zelfs contact met hem op in de gevangenis. Het beeld dat zij van hem schetst past in het hiervoor beschreven patroon. Het was iemand die door iedereen die hem het naast stond – in het bijzonder zijn ouders – niet werd begrepen en in feite in de steek werd gelaten. Ze wijst erop dat hij steeds pogingen doet ‘iemand’ te zijn, iets groots tot stand te brengen en ergens bij te horen.

De goegemeente is geneigd zulke mensen als ‘gestoord’ of ‘gek’ te beschouwen. Een twitteraar verzuchtte dat de wereld steeds meer een podium voor gekken wordt. “Maar hoe stop je dit?”

Wellicht helpt het als we eerst ophouden deze mensen simpelweg als ‘gekken’ te brandmerken. Gekken horen bij de psychiater of in een psychiatrische kliniek; daar kan de maatschappij verder niets aan doen. Maar dat is te gemakkelijk. Op die manier kunnen we ons als samenleving er niet van af maken. Er is meer aan de hand. Het kan nauwelijks toeval zijn dat moordpartijen als die in München zich – voorzover bekend – vrijwel uitsluitend in hoogontwikkelde, ‘westerse’ samenlevingen afspelen. Kort geleden publiceerde de British Journal of Psychiatry dat juist hier mensen een grotere kans hebben op een posttraumatische stressstoornis. Inwoners van Nederland, Nieuw-Zeeland en Australië hebben zelfs driemaal zoveel kans als inwoners van bv. Mexico, Colombia en Israël. De onderzoekers trekken de conclusie dat inwoners van welvarende landen kwetsbaarder zijn voor tegenspoed. Zoals goede wetenschappers betaamt waagt men zich niet aan verklaringen want die waren geen doel van het onderzoek. Niettemin zegt één van hen: “Wat we wel zien, is dat de meest kwetsbare naties erg individualistisch zijn. Het ontbreekt mensen mogelijk aan sociale steun. Het zijn ook landen waar mensen hoge eisen aan zichzelf stellen en dus sneller mislukken en dan de oorzaak buiten zichzelf zoeken. Maar dat is speculatie”.

Hij zou wel eens dicht bij de waarheid kunnen zitten. De westerse maatschappij wordt beheerst door de ideologie van de menselijke zelfontplooiing. Iedereen moet iets van zijn leven maken: je moet ‘iemand’ of ‘iets’ zijn. Dat wordt versterkt door de invloed van de sociale media waarin mensen zich van hun meest positieve en succesvolle kant laten zien. Succes is ook de toegang tot sociale verbanden. Dat verklaart mede dat wie er niet in slaagt ‘iemand’ te zijn, een grote kans loopt sociaal geïsoleerd te raken. Juist wie een ‘loser’ is – door zichzelf of door anderen als zodanig beschouwd – heeft baat bij sociale verbanden waarin hij zich kan afreageren op een manier die noch hemzelf noch anderen schade berokkent. Maar doordat de ‘natuurlijke’ sociale verbanden van gezin en familie steeds meer teloor zijn gegaan zijn ‘losers’ helemaal op zichzelf aangewezen. En dan kunnen de stoppen op een zeker moment doorslaan.

Dat kan leiden tot zelfmoord. De laatste jaren is het aantal zelfmoorden in de westerse wereld, juist ook onder jongeren, sterk toegenomen. Dat heeft deels ongetwijfeld te maken met de stress waaraan mensen zijn blootgesteld. Men moet op allerlei terreinen succesvol zijn en vraagt zich steeds af: “Hoor ik er wel helemaal bij?” Als het antwoord ‘nee’ is kan zelfmoord één van de opties zijn. Die kans wordt nog groter wanneer iemand ook te maken heeft met pesterij, persoonlijk of via sociale media.

Er kan ook een andere reactie volgen, die overigens niet fundamenteel van de zojuist geschetste verschilt. In plaats van er tussen uit te knijpen probeert een ‘loser’ wraak te nemen op degenen die, in zijn optiek, hem buitensluiten. Dat komt ook in de schets van Breivik naar voren. “Hij wilde succesvol zijn, hij wilde bewonderd worden door de mensen om hem heen, maar daarin mislukte hij steeds. (…) Als twintiger streed hij om een verkiesbare plaats op de lijst van de rechts-populistische Fremskittspartiet voor de stadsdeelverkiezingen in Oslo-West. Iedereen die ik daarover heb gesproken, zegt dat hij daar objectief gezien niet goed genoeg voor was. Toch raakte het hem zeer toen hij hoorde dat hij niet verkozen was. (…) Hij wilde zoveel omdat hij het gevoel had dat hij zo weinig was.”

Åsne Seierstad ziet hier een parallel met veel jihadisten. “Veel westerse jihadisten hebben volgens mij een vergelijkbaar gevoel van misplaatstheid als Breivik. Ze voelen zich niet op hun plek in het gewone leven. Ze hebben het gevoel dat de samenleving hen afschrijft en willen daarom een daad stellen. Iets groots doen, iets wat in het gewone westers leven dat zij zo verachten niet zou gebeuren.” Het verklaart het citaat boven het VN-artikel: “Breivik was een geslaagd jihadist geweest.”

Een daad stellen, dat zien we bij degenen die op grote schaal mensen neerschieten of op andere wijzen om het leven brengen. Het verschil met zelfmoord is vooral daarom niet zo groot omdat de daders vaak – liever dan in de handen van de politie te vallen – zichzelf om het leven brengen. Wellicht beschouwen ze dat zelf als de ultieme heldendaad en tegelijk een aanklacht tegen de samenleving die hen niet accepteert. De Neue Zürcher Zeitung spreekt hier treffend van een “inszenierter Selbstmord”.

Het toenemende aantal zelfmoorden en het groeiende gevaar van geweldsincidenten met vele slachtoffers nopen de westerse samenleving tot zelfonderzoek. Steeds meer mensen voelen zich buitengesloten en sociaal geïsoleerd. In zekere zin is de groei van het populisme een symptoom van hetzelfde verschijnsel. De westerse ideologie waarin iedereen het centrum is van zijn eigen universum levert steeds vaker vooral wrange vruchten op. Maar het valt te vrezen dat het afscheid van die ideologie een brug te ver is. Er is immers ook een alternatief nodig. Dat is er wel, maar dat vraagt om een zo radicaal andere manier van denken dat daarmee de samenleving zoals die is op haar kop komt te staan. Dat zie ik niet gebeuren. Dus zullen er nog vele zelfmoorden plaatsvinden en moeten we rekening houden met meer geweldsmisdrijven van mensen die geen uitweg zien.

Turkije is overal

Tags

, , , , , , , ,

De poging tot een staatsgreep in Turkije is mislukt. Hoewel veel nog onduidelijk is heeft het er alle schijn van dat de coup niet erg goed was voorbereid. Er was geen steun uit kringen van de politie en ook de politieke oppositie distantieerde zich van de coupplegers. Bovendien ontbrak het religieuze draagvlak en dan is in het huidige Turkije de mislukking voorgeprogrammeerd. Wellicht hebben de coupplegers zich laten inspiereren door de staatsgreep in Egypte in 2013. Maar de toenmalige president Morsi ontbrak het aan draagvlak onder de bevolking terwijl Erdogan zich in een grote populariteit mag verheugen.

Daarvan zal hij in de komende maanden ongetwijfeld gretig gebruik maken. Hij streeft al jaren naar een positie die hem vrijwel onaantastbaar maakt en de gebeurtenissen van de afgelopen dagen geven hem extra munitie in handen om tegenstanders uit te schakelen en monddood te maken, met legitieme en niet-legitieme middelen. Je zou kunnen zeggen dat de couppoging voor hem als geroepen kwam. Dat heeft direct tot suggesties aanleiding gegeven dat hij zelf de hand in deze ontwikkeling heeft gehad. Bewijs daarvoor ontbreekt maar in de komende weken en maanden zal ongetwijfeld het nodige speurwerk worden verricht om meer helderheid te krijgen over de identiteit van de coupplegers, hun motieven en de manier waarop ze te werk gegaan zijn.

Erdogan wacht daar niet op. Hij weet al zeker wie verantwoordelijk is: zijn grote tegenstander Fethullah Gülen, die in de Verenigde Staten in ballingschap woont. Dat deze de coup heeft veroordeeld, is een futiliteit waardoor Erdogan zich niet van de wijs laat brengen. Inmiddels zijn al rechters ontslagen die naar zijn mening aanhangers van Gülen zijn. Deze handelwijze tast de scheiding van de machten, die een wezenskenmerk van de democratie is, fundamenteel aan. Het valt te verwachten dat Erdogan iedereen die hem op enigerlei wijze de voet zal dwarszetten, in het kamp van Gülen zal plaatsen wat hem een argument geeft om zo iemand onschadelijk te maken.

Het feit dat de oppositie zich tegen de coup heeft gekeerd zou een aanknopingspunt kunnen zijn om een soort van politieke en maatschappelijke consensus te bereiken in een land dat tot op het bot verdeeld is. Maar het lijkt niet waarschijnlijk dat Erdogan deze gelegenheid zal aangrijpen om de oppositie de hand te reiken. Dat impliceert namelijk dat hij zelf een stap terug moet doen en zijn persoonlijke ambities moet matigen. Maar daartoe is hij niet bereid. Net als zijn collega Putin, met wie hij zich kort geleden heeft verzoend, stelt hij zich in de traditie van Lodewijk XIV: de staat, dat ben ik.

Erdogan is inmiddels ook begonnen het leger zal zuiveren van elementen die hem niet onvoorwaardelijk steunen. Hij zal mensen op sleutelposities benoemen van wier trouw hij verzekerd kan zijn. Dat is een niet ongevaarlijke handelwijze. Want wie nu een vriend is, kan morgen een vijand zijn. Tenslotte was ook Gülen eens zijn bondgenoot. Het lost bovendien het probleem van de politieke rol van het leger niet op. Er is geen enkele garantie dat het leger op termijn niet weer een poging zal doen de macht te grijpen.

Wanneer Erdogan het leger naar zijn hand zet zal dit de polarisatie nog verder doen toenemen. Het gevolg zal immers zijn dat het leger zal worden gezien als een verlengstuk van de president en van dat deel van de Turkse bevolking dat hem steunt. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat Erdogan in de verleiding zal komen een beroep te doen op het leger wanneer zijn machtspositie bedreigd wordt. Elke actie van de kant van het leger – ook wanneer die in het belang van de ordehandhaving zou zijn – zal met argusogen worden bekeken door degenen die niet aan Erdogans kant staan.

Wat in Turkije gebeurt lijkt in onze contreien ondenkbaar. Dat is in zoverre waar dat in West-Europa en Noord-Amerika het leger geen politieke rol speelt. Voor een poging tot een staatsgreep hoeven wij – of de Britten, Duitsers of Fransen – niet bang te zijn. In de meeste westerse landen zijn ook meer waarborgen in het politieke systeem ingebouwd die de persoonlijke ambities van een president of regeringsleider beteugelen. Maar aan wat zich in Turkije heeft afgespeeld ligt een verschijnsel ten grondslag dat zich in steeds meer landen voordoet. Niet alleen de Turkse samenleving is sterk verdeeld. Overal is een versterking van de flanken en een versplintering van het centrum te constateren wat de mogelijkheden van een consensus sterk inperkt.

Waar één stroming binnen het politieke spectrum het voor het zeggen heeft, wordt de democratie bedreigd en de rechtsstaat aangetast. Dat geldt niet alleen voor Turkije, maar ook voor Rusland, voor Polen en voor Hongarije. Het betekent dat degenen die aan de macht zijn, proberen de staatsinstellingen onder controle te krijgen – met name de rechtspraak – en de oppositie zo veel mogelijk de voet dwars te zetten, bijvoorbeeld door de media aan allerlei beperkingen te onderwerpen.

In landen waar de vleugels elkaar in evenwicht houden, leidt de toenemende polarisatie tot een patstelling. We hebben dat de afgelopen jaren in de Verenigde Staten gezien waar de politieke besluitvorming soms tot stilstand kwam doordat beide partijen niet bereid waren tot enige vorm van compromis. Het zegt iets over het verval van waarden die ooit door vrijwel het gehele politieke spectrum werden omarmd. In Spanje hebben twee opeenvolgende verkiezingen de oplossing van de politieke patstelling geen centimeter dichterbij gebracht. Het recente referendum in het Verenigd Koninkrijk liet zien dat de Britse kiezers over het lidmaatschap van de EU in twee bijna gelijke helften verdeeld waren. Ook daar was geen ruimte voor enig compromis. Het gevolg is dat een meerderheid van 52 procent in veel opzichten de toekomst van de overige 48 procent bepaalt. Een kenmerk van democratie is niet alleen dat de meerderheid regeringsverantwoordelijkheid moet dragen maar ook dat die meerderheid ruimte moet laten aan minderheden en naar compromissen moet zoeken ten behoeve van de maatschappelijke vrede.

Maar juist daaraan hebben vertegenwoordigers van de politieke flanken geen behoefte. Het gaat hun er vooral om dat hun eigen haan koning kraait. “The winner takes all”, lijkt het principe te zijn. Dat veroorzaakt verdere versplintering van de samenleving. Want wanneer met substantiële minderheden geen rekening wordt gehouden zal de behoefte ontstaan wraak te nemen wanneer de bordjes zijn verhangen. Het is één van de oorzaken van de radicalisering van de Amerikaanse Republikeinen die vooral tijdens het presidentschap van Bill Clinton (maar ook daarvoor al) niet serieus werden genomen en door de Democraten met onverholen minachting werden bejegend. Daar plukken ze nog steeds de wrange vruchten van. Hetzelfde proces zien we nu doordat de flanken in aanhang toenemen – en in hun ideeën verder radicaliseren – ten koste van het midden waar de comprimissen gevonden moeten worden.

Dit proces wordt versterkt door het onvermogen op een constructieve manier met elkaar in gesprek te gaan. Discussies in de politiek en de media dienen vooral voor het markeren van de eigen positie, niet om anderen te overtuigen van de juistheid en redelijkheid van een standpunt. Daarmee gaat gepaard een trivialisering van de informatievoorziening. De sociale media spelen daarbij een niet onaanzienlijke rol. De snelheid van de informatievoorziening gaat ten koste van de diepgang. Zorgwekkend is de toenemende afkeer van deskundigen die licht kunnen werpen op zaken die voor de doorsnee-geïnteresseerde niet direct bevattelijk zijn. Het inzicht van een deskundige wordt hooguit als één van de vele beschouwd. Het is tekenend dat het NOS-journaal het nodig vindt de ‘man in de straat’ om zijn mening te vragen terwijl die op geen enkele manier bijdraagt aan een verdieping van het inzicht van de kijker.

Populisten hebben geen behoefte aan informatie. Die hebben al een mening. Die hoeft op geen enkele manier op de feiten gebaseerd te zijn. ‘Fact-free politics’ is een verschijnsel dat steeds meer aantrekkingskracht op kiezers lijkt uit te oefenen. Waar is wat in overeenstemming is met het eigen gevoel. Maar dan houdt elke discussie op, want een gevoel kun je niet weerleggen. Waartoe dat kan leiden zien we in Turkije: dat Fethullah Gülen de kwade genius achter de couppoging was hoeft in de ogen van Erdogans aanhangers niet bewezen te worden. Hun held zegt het en daarmee basta.

Dat moet ons bekend voorkomen. De Brexit-campagne in het Verenigd Koninkrijk en de discussie over het verdrag tussen de EU en Oekraïne in Nederland verliepen volgens hetzelfde stramien. In dat opzicht zijn de verschillen met Turkije gradueel. En in die zin is Turkije overal, ook zonder de aanwezigheid van Turkse immigranten.

De brokken van de Brexit

Tags

, , , , , , , , , , ,

Wie breekt zit met de brokken. Dat is nog eens gebleken na de uitslag van het referendum in het Verenigd Koninkrijk over het lidmaatschap van de Europese Unie. Het is aan de verantwoordelijke politici – in de eerste plaats de regering – de brokken op te ruimen. Maar op dit moment lijkt het er niet op dat men enig idee heeft hoe men een enigszins waardige afgang uit Europa moet organiseren. Je krijgt de indruk dat zelfs enkele van de kopstukken van het Brexit-kamp niet hadden verwacht dat hun campagne tegen het EU-lidmaatschap echt succes zou hebben. Ik moet onwillekeurig denken aan een grap die vroeger – ten tijde van de Koude Oorlog – de ronde deed. Elke avond bidt de NAVO dat Duitsland herenigd mag worden maar elke morgen dankt ze dat het niet gebeurd is.

Maar het is niet alleen het Verenigd Koninkrijk dat met de brokken zit. Hetzelfde geldt voor de Europese Unie. Die kan niet gewoon doorgaan alsof er niets gebeurd is. Men is eraan gewend dat landen verzoeken lid te mogen worden maar het omgekeerde heeft zich nog niet eerder voorgedaan. Kennelijk is de EU toch niet zo aantrekkelijk als men altijd gedacht had. De urgentie van enig zelfonderzoek spreekt nog te meer wanneer we bedenken dat het ook in andere lidstaten gist en niet weinigen daar met enige afgunst naar de uitslag van het Britse referendum kijken.

Dus moet de EU zich de vraag stellen: wat ging er mis? Uiteraard zijn er typisch Britse factoren in het spel. Daaraan ga ik hier voorbij. Ik laat de analyse daarvan graag aan deskundigen over. Er zullen ongetwijfeld de nodige studies worden verricht naar de beweegredenen van de voor- en de tegenstemmers. Duidelijk is al wel dat er grote tegenstellingen bestaan binnen de Britse maatschappij, naar leeftijd en naar regio maar ook op sociaal-economisch vlak.

Met dat laatste komen we bij wat mijns inziens één van de oorzaken van de malaise is: de groeiende kloof tussen hoger- en lageropgeleiden en tussen meer- en minderverdienenden. Die kloof is niet specifiek te wijten aan de EU, ook al zijn sommige tegenstanders van de EU er op uit dat verband te leggen. Maar wel moet gezegd worden dat de EU weinig doet om die kloof te dichten. Het tegendeel lijkt het geval. Vooral sinds het begin van deze eeuw is Europa in de greep van het neoliberalisme gekomen waarbij de markt een dominante rol in het financieel-economisch beleid is gaan spelen. Ook de bankencrisis is met recepten uit de neoliberale apotheek bestreden. Eén van de centrale elementen was een rigide bezuinigingskoers waarvan vooral de laagstbetaalden de dupe zijn geworden.

Het tragische is dat nu de economie in Europa lijkt aan te trekken, de perspectieven voor juist deze groepen weinig rooskleurig zijn. Uit allerlei recente studies komt naar voren dat mede als gevolg van verdere automatisering en robotisering er steeds minder banen voor mensen met een lage opleiding zullen komen. Wellicht is dat onvermijdelijk maar dat ontslaat regeringen en EU niet van de plicht over de gevolgen daarvan na te denken.

Het ironische is dat juist het Verenigd Koninkrijk – in elk geval onder Conservatief bestuur – één van de belangrijkste peilers van het neoliberalisme is. Wellicht geeft zijn vertrek uit de EU weer nieuwe kansen aan het Rijnlandse model dat decennia lang het Nederlandse sociaal-economische beleid heeft bepaald. Daarin staat de maatschappelijke harmonie centraal; daarom mogen de inkomensverschillen tussen de sociale ‘klassen’ niet te groot worden. Daarin past ook een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid.

Maar dat is niet het enige. De crisis in de EU is een uitingsvorm van een veel groter probleem: de crisis van de democratie. Onvrede en wantrouwen kenmerken het maatschappelijk klimaat van onze jaren. De onvrede is wijdverbreid en vaak niet duidelijk gearticuleerd. Daardoor treedt een bekend mechanisme in werking: het zoeken naar zondebokken. Het gevoel van onvrede wordt afgereageerd op de EU maar ook op immigranten die – naar de mening van veel ontevredenen – hun door de EU worden opgedrongen. In allerlei landen zijn er politici die deze onvrede maar al te graag mobiliseren ten behoeve van hun eigen agenda. Ze maken zich tot spreekbuis van ‘het volk’ en keren zich tegen een elite waar ze goeddeels zelf deel van uitmaken.

Waar komt die onvrede vandaan? Ik wees al op de sociaal-economische component. Maar er is ook een psychologische factor. Het ontbreekt veel mensen aan verbinding. De samenleving is in hun beleving steeds meer een langs elkaar heen leven geworden. Sommigen worden omgeven door mensen met wie ze weinig tot niets gemeen hebben en met wie ze soms niet eens echt kunnen praten. Dat wordt op het conto van de immigratie geschreven maar heeft in feite een dieper liggende oorzaak. Het heeft te maken met wat Pim Fortuyn in de titel van een boek treffend onder woorden bracht, toen hij sprak over de ‘verweesde samenleving’.

Sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw is een proces van individualisering op gang gekomen. Bestaande verbanden werden afgebroken en ieder moest vrij zijn om te doen wat goed is in eigen ogen. Dat proces heeft in de jaren ’90 geleid tot het vrijwel geheel uiteenvallen van de zuilen die vele decennia kenmerkend waren voor de Nederlandse samenleving. Daarmee is een ontideologisering gepaard gegaan, die haar voorganger had in een vèrgaande secularisering op het religieuze erf. Als gevolg van deze ontwikkelingen zijn de natuurlijke verbanden die in het leven van veel mensen een belangrijke rol speelden, verloren gegaan. Daarvoor is niets in de plaats gekomen.

Inmiddels is wel duidelijk geworden dat de werkelijkheid niet voldoet aan het ideaalbeeld van de zelfbewuste burger die in staat is zijn eigen boontjes te doppen en in feite niemand echt nodig heeft. Het zijn opnieuw vooral de lagere ‘klassen’ die verlangen naar verbinding en voor wie het verval van de binding met gelijkgezinden of ‘soortgenoten’ desastreus uitpakt en tot een gevoel van verweesdheid leidt.

Nu is dit beeld sterk gekleurd door de Nederlandse geschiedenis: andere landen hebben geen verzuiling gekend zoals Nederland. Maar ook daar zijn allerlei natuurlijke verbanden teloor gegaan. Je kunt hier bijvoorbeeld denken aan de mijnbouw die vooral in Engeland in bepaalde dorpen en steden generaties lang het leven en samenleven bepaalde. De mijnwerkersstakingen die in belangrijke mate bijdroegen aan de verkiezingsoverwinning van Margaret Thatcher, waren vooral daarom zo verbeten omdat maar niet alleen banen op de tocht stonden maar een hele manier van leven en de typische mijnwerkerscultuur. In reportages rond het referendum kwamen nostalgische gevoelens over een cultuur en een samenleving die verloren is gegaan, duidelijk naar voren. Niet alleen in het Verenigd Koninkrijk, ook in andere landen is sprake van nostalgie naar het – vaak geïdealiseerde – verleden. Het besef dat dit verleden niet terugkomt, is niet overal doorgedrongen.

Wat is dan het alternatief? Een verbinding met gelijkgezinden is geen optie. De ontideologisering laat zich nog nauwelijks ongedaan maken en een rechristianisering is ook niet te verwachten. De individualisering is inmiddels zo ver voortgeschreden dat nog maar weinig mensen bereid zijn zich verzamelen achter een ideologische vlag. De mens van deze tijd is het centrum van zijn eigen universum en flanst zijn eigen ideologie uit allerlei bronnen samen. Van een samenhangende visie op het leven of de samenleving is in veel gevallen nog nauwelijks sprake. Er zijn nog maar weinig zaken waarover binnen de huidige samenleving algemene overeenstemming bestaat. En dan doemt voor steeds meer mensen de natie of het volk als alternatief op. Daarin zoekt men verbinding: de nationale cultuur moet beschermd worden tegen verstorende invloeden. Dat is een reden om internationale organisaties op een afstand te houden, want zij kunnen de lidstaten dwingen tot beleidsmaatregelen die als een bedreiging van de nationale cultuur worden gezien, zoals afspraken over de toelating van bepaalde aantallen vluchtelingen en vrij verkeer van werknemers.

Wat betekent dit voor de Europese Unie? Moet de samenwerking geïntensiveerd worden, zoals sommigen bepleiten? Daartegen kan worden aangevoerd dat dit het proces van vervreemding nog zal versterken en eerder tot meer dan tot minder nationalisme zal leiden. Moet de EU een paar stappen terug doen en meer aan de lidstaten overlaten? Dat is de lijn die in Nederland bijvoorbeeld door de ChristenUnie en de SGP wordt gevolgd. Het probleem is dat in de moderne samenleving zoveel dingen nauw met elkaar samenhangen dat het ene besluit andere noodzakelijk maakt. Wie bijvoorbeeld een voorstander is van een vrij verkeer van goederen en diensten moet zich realiseren dat dit maatregelen noodzakelijk maakt die een eerlijke concurrentie garanderen.

Er is op gewezen dat het in de campagne voor het Brexit-referendum hoofdzakelijk over de economie ging. Europa zou weer de idealen moeten uitdragen die tot de oprichting van de EEG – voorloper van de EU – leidden. Dat klinkt sympathiek en moet serieus genomen worden. Maar enige scepsis is hier wel op haar plaats. Want idealisme is in onze vermaterialiseerde wereld een schaars goed. Het materieel belang is – niet alleen op Europees niveau, maar ook in de nationale politiek – vaak doorslaggevend. De oprichting van de EEG werd mede geïnspireerd door de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog. Door een toenemende verknoping van de hoofdrolspelers op het Europese continent moesten rampzalige oorlogen als de twee die de 20e eeuw hebben beheerst, worden voorkomen. Maar daarmee kun je niet meer aankomen. Er zijn niet veel mensen meer die de laatste wereldoorlog hebben meegemaakt. Vrede wordt als normaal ervaren en de meeste burgers van de EU-lidstaten kunnen zich niet voorstellen dat landen als Duitsland en Frankrijk weer eens met elkaar op de vuist zouden kunnen gaan. De EU als garantie tegen territoriale conflicten is dan ook nauwelijks een geloofwaardig verhaal.

De Europese samenwerking was ook bedoeld als verdediging tegen nationalisme en ter bevordering van openheid en tolerantie. Maar wie daarmee de boer opgaat stuit in toenemende mate op weerstand. Het nationalisme neemt in kracht toe, de nadruk op het belang van een ‘nationale cultuur’ ondermijnt de bereidheid mensen met een andere culturele achtergrond te dulden en de tolerantie neemt zichtbaar af, zoals blijkt uit geweldsincidenten tegen immigranten en leden van minderheden in bijna alle lidstaten van de EU. De ideologische atomisering van de samenleving is zover voortgeschreden dat er nauwelijks nog een ideaal te bedenken is waarvoor je de handen van alle burgers – of in elk geval van de overgrote meerderheid – op elkaar krijgt.

Het past in het ideaal van de maakbare samenleving om direct te zoeken naar oplossingen. De realiteit is dat niet voor elk probleem een oplossing bestaat. En soms roepen oplossingen weer andere problemen op. Voortmodderen, zo goed en zo kwaad als het gaat – veel meer zit er soms niet in. Dat zou best eens de realiteit van Europa anno 2016 kunnen zijn.